Versperringsnetten in de Nieuwe Waterweg

Versperringsnet tussen Hoek van Holland en het eiland Rozenburg.

Tekening: J.T Prooi.

 

In 1942 achtte de bezetter het noodzakelijk de toegang vanuit zee naar Rotterdam door twee netversperringen af te sluiten. De eerste versperring werd geplaatst tussen Hoek van Holland en Rozenburg, de tweede tussen Maassluis en Rozenburg. In het voorjaar van dat jaar werden de ontwerpen getekend en goedgekeurd.

Aan ongeveer 20 werknemers van de Rijkswerf in Den Helder werd, onder dwang, in juni 1942 opgedragen in zes weken tijd de versperringen aan te brengen. De onderdelen van de versperringen werden op de Rijkswerf gemaakt en in Hoek van Holland samengesteld. Betonnen verankeringsblokken werden op de wal in Hoek van Holland gemaakt, maar door ‘onkunde’ van de aannemers niet altijd met het gewenste resultaat.

 

In de lente van 1943 werd begonnen met de aanleg van een torpedo-netversperring bij Hoek van Holland. Het scheepsbergingsbedrijf Van der Tak moest bij het plaatsen van de versperring assisteren. Hiervoor werden een kleine bok, een kraanschip, een sleepboot, enkele bakken en ook 10 man van deze firma ingezet. Verder was er voortdurend een sleepboot van de Rijkswerf aanwezig. De versperring bestond uit een vastgedeelte, onder een hoek van 45 graden, en lag tussen het zwaar verankerde versperringsschip Alsatia en de Rozenburgse oever. 

Dit schip, een 785 ton wegend motorschip van rederij Keuningsfeld, werd voor het afzinken geladen met 150 lege drums, waarna het dek werd dichtgelast. Er werden aan het dek zware stalen platen aangebracht, met daaraan bevestigd ankerkettingen op voor- en achterschip en zware dwars staaldraden en kabels op het middenschip. Als verankering werden 20 ton zware betonblokken gebruikt. Het vaste gedeelte bestond uit een stalen net met een lengte van 40 meter, dat was bevestigd aan verankerde drijvers. Voor de drijvers werden dichtgelaste stalen buizen met een diameter van 80 centimeter en een lengte van 7,80 meter gebruikt. De buizen werden aan elkaar gekoppeld en voorzien van uitsteeksels 

 

Niet ver van de Alsatia lag stroomopwaarts een tweede verankerd versperringsschip. Dat schip deed dienst als aanslag voor het beweegbare gedeelte van de versperring als het geopend zou worden. Dit deel bestond uit drijvers die op een bepaalde manier gekoppeld en scharnierend met elkaar verbonden waren. Via een scharnier was dit deel aan de Alsatia gekoppeld. Aan de noordzijde nabij de steensteiger bevond zich de aanslag van het beweegbare gedeelte van het versperringsnet. Voor de bediening van de versperring was aan de noordoever een gebouwtje geplaatst waarin een lier stond die door een dieselmotor werd aangedreven. Met behulp van een staaldraad was de versperring te openen en te sluiten.

In geopende toestand rustte het beweegbare gedeelte tegen de Alsatia en het uiteinde tegen het tweede schip dat speciaal was uitgerust met een bordes dat als aanslag diende. Door onderschatting van de kracht van het getij, enkele aanvaringen en door voortdurende sabotage heeft het aanbrengen van de versperring in plaats van zes weken, tweeëneenhalf jaar geduurd. Voor zover bekend is de versperring nooit geheel gesloten geweest. Wat overigens door de constructie en de stroomsnelheden bijna onmogelijk was. Het beweegbare deel was dikwijls beschadigd door deining. De starre constructie van dit deel van de versperring moet dit in de hand hebben gewerkt.

 

Op 13 september werden beide versperringsobjecten door Typhoons van het 247e Squadron van de RAF aangevallen. Tijdens deze aanval werd het versperringsschip Alsatia door scherven getroffen, waarna het schip zonk. Het kwam ondersteboven gedeeltelijk op de bodem van de Nieuwe Waterweg te liggen. Door de opvulling van het ruim met drums bleef het voorste gedeelte van het schip boven de rivierbodem zweven, zodat het schip om zijn verankering en staaldraden op de stroom gierde. 

 

Nabij de scheepsagentuur van Dirkzwager in Maassluis bevond zich de versperring tussen Maassluis en Rozenburg. Deze versperring bestond uit twee in het midden van de Nieuwe Waterweg voor anker liggende rijnaken. Vanaf deze rijnaken naar de oevers aan beide zijden hingen aan drijvers zware stalen netten die met betonblokken rechtstandig werden gehouden. Eén van de rijnaken werd tot zinken gebracht door de Typhoons. Jo Bergwerff zag deze luchtaanval vanuit zijn onderduikadres in Rozenburg.

 

"Het is een mooie herfstmiddag als in de verte het aanzwellende gebrom van vliegtuigen wordt gehoord. Ik gooi op de zolder van Van der Knaap mijn gereedschap neer en speur voor de raampjes boven het luik de hemel af. Het geluid zwelt aan en ik roep: ‘Daar heb je ze!’ De fiets die ik onderhanden heb, is vergeten. Zilverglinsterend in de middagzon komen ze aanvliegen. Ik tel er minstens vijf en er volgen er nog meer. Het voorste vliegtuig zwenkt en komt recht boven mijn hoofd omlaag. Ik brul: ‘Ze komen naar beneden’.

De machine duikt pijlsnel, zijn mitrailleurs beginnen te ratelen. Er vallen twee zwarte dingen uit het vliegtuig. ‘Bommen’, nauwelijks heb ik dat geroepen of een geweldige waterzuil in de Waterweg en een zware schok onderstrepen het geweld. Een tweede toestel zet zijn aanval in. Het schouwspel herhaalt zich, weer knetteren de mitrailleurs en vallen er bommen. Ik ren naar de gang waar de verrekijker van Van der Knaap altijd voor het grijpen aan de kapstok hangt.

Met grote sprongen neem ik de treden van de trap en met ingehouden adem volg ik de aanval van de vliegtuigen. De versperringsschepen zijn het doel van de Engelse vliegtuigen. In een razend tempo vallen ze met brullende motoren aan. Steeds weer herhaalt zich het geknetter van de mitrailleurs. Links en rechts van de schepen zie ik reusachtige waterzuilen. Dan een slag, één grote vuurzee en dan niets dan rook. Door de verrekijker heb ik alles kunnen volgen. De rook trekt op, een versperringsschip ligt als het ware nog even na te sidderen. Dan breekt het langzaam doormidden en komen de voor- en achtersteven traag omhoog. De twee restanten van het wrak steken boven de golven uit. In de verte verdwijnt het vliegtuiggebrom. Goed zo, dat was doeltreffend werk! Het is net of ik in een andere wereld ben geweest. Dan weet ik opeens weer dat er nog een ouwe fiets staat waar ik mee bezig was."

 

Na het luchtalarm gingen nieuwsgierige inwoners van Maassluis naar de Nieuwe Waterweg. Dat was niet zonder gevaar; samenscholingen van meer dan vijf personen waren verboden.

De Maassluizers die op het Veerhoofd stonden lieten zich niet onbetuigd over wat er gebeurd was. Bij het Veerhuis stond een ronde bank. Wat jongens waren daar gaan zitten om te kijken naar de werkzaamheden van de Duitsers bij de gezonken rijnaak. Aan de andere kant van de haven, op het Schanshoofd, bevonden zich soldaten die in de gebouwen van het Loodswezen en van Smit & Co. waren ondergebracht. Een soldaat schreeuwde naar de mensen op het Veerhoofd. Plotseling begon hij te schieten. Een kogel trof de 10-jarige Jan Lingbeek. Behulpzame omstanders droegen hem naar het Veerhuis. Dokter De Wilde verleende daar eerste hulp, waarna de jongen werd overgebracht naar het Hofsingel Ziekenhuis in Vlaardingen. De volgende ochtend overleed de jeugdige Maassluizer aan zijn verwondingen.

 

Vier schepen tot zinken gebracht

In september en oktober werden in de Nieuwe Waterweg, in de omgeving van Rozenburg en Maassluis, vier schepen tot zinken gebracht. Dit gebeurde als onderdeel van de vernietiging van de havens. Zo moest worden voorkomen dat de geallieerden Rotterdam als aanvoerhaven van hun militaire offensieven zouden gaan gebruiken. 

 

De Dinteldijk wordt tot zinken gebracht.

Collectie: J. Bergwerff.

 

Enkele dagen voordat de bezetter met de verwoesting van de havens begon, werden de op dat moment nog niet afgebouwde Zuiderdam (11.000 Brt) van de Holland Amerika Lijn (HAL) en de Dinteldijk (9.399 Brt) van dezelfde rederij tot zinken gebracht. Met deze twee schepen moest de Nieuwe Waterweg worden afgegrendeld. Maar door tegenwerking van de sleepbootkapiteins is dat niet gelukt. Beide schepen zonken zogenaamd te vroeg en de vaargeul bleef open. De Duitsers lieten het er echter niet bij. De Prins Willem V (1.525 Brt) van de Oranje Lijn en de Baud (4.200 Brt) van de Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM) ondergingen een zelfde lot. Ditmaal met meer ‘succes’, slechts een smalle vaargeul bleef open.

Het stoomschip Zuiderdam werd op 22 september aan de noordwal van de Nieuwe Waterweg tot zinken gebracht. De Zuiderdam lag in de lengterichting van de vaargeul, zodat het schip als versperring geen betekenis had. Het schip dat bij scheepswerf Wilton-Fijenoord te Schiedam in aanbouw was, raakte zwaar beschadigd en maakte 25 graden slagzij. Het bovengedeelte bleef echter boven water uitsteken.

Nabij de Zuiderdam werd op 23 september het stoomschip Dinteldijk tot zinken gebracht. De Dinteldijk lag vrij diep en vrijwel in de lengterichting van de vaargeul, alleen het achterschip lag wat in de weg. De in aanbouw zijnde Prins Willem V werd op 21 augustus 1942 gevorderd. Bestemd als F-schiff H605, maar daarna verbouwd tot Sperrbrecher, liep het schip op 9 maart 1943 van stapel. Op 5 oktober werd het in nog steeds niet afgebouwde toestand, bij Rozenburg als blokschip buiten de vaargeul tot zinken gebracht. Van de Prins Willem V staken alleen de masten boven water uit.

In de omgeving van de Prins Willem V werd op 11 oktober de Baud met dynamiet aan de zuidwal bij Rozenburg tot zinken gebracht. De Baud dreef af en kwam naast de vaargeul bij een krib min of meer vast te zitten. Bij vloed zweefde het wrak tot de laatste krib stroomopwaarts, bij eb stroomafwaarts. De Baud bleef buiten de vaargeul.

 

De VAVO autobus

Eind september werd de mannelijke bevolking van Rozenburg in de leeftijd van 18 tot 45 jaar gedwongen voor de Duitsers op de Beer te gaan werken. Men berustte in dit feit, daar het in elk geval beter was dan te worden ingezet voor de Arbeidsinzet, de verplichte tewerkstelling in Duitsland. De Wehrmacht gaf aan de gemeente Rozenburg op hoeveel personen, meestal gedurende een maand, op de Beer moesten gaan werken. Op het gemeentehuis werd vervolgens een lijst samengesteld met daarop de namen van de mannen die aan de beurt waren. Op vrijdag voorafgaande aan de nieuwe week werden zij door middel van een briefje op de hoogte gebracht. In de herfst waren er twee mogelijkheden om naar de Scheurpolder te gaan. De eerste mogelijkheid was per fiets, mits deze nog niet was gevorderd. Fietsbanden waren niet meer verkrijgbaar, zodat het fietsen naar de Beer een vermoeiende aangelegenheid was. Sommige sneden repen van oude autobanden. Deze werden aan elkaar gemaakt met ijzerdraad en tussen de fietsvelg geknepen. Zij die geen eigen vervoer meer hadden, konden gebruik maken van een autobus.

 

Jo Pauëlsen, chauffeur van de autobus: "Die bus was gevorderd van de busonderneming VAVO uit Schoonhoven en had zijn stalling bij garage Lievaart. De bus was voorzien van een gasgenerator waarin harde bruine turf werd gestookt. Later ook in combinatie met hout, dat beter gas produceerde. Er was een klein tankje aanwezig voor een paar liter benzine, waarop de bus werd gestart en de motor kon warmdraaien.

Ik woonde in Nieuwkoop, maar vanaf september ‘42 was ik bij de familie Krijn Westdijk in Rozenburg in de kost. Begin november ‘44 besloot ik onder te duiken. Nadat ik de bus bij de Volkskeet in de Scheurpolder had gezet kneep ik een olieleiding dicht zodat de motor, toen de bus in andere handen overging, binnen een uur vastliep. Ik had een paar dagen verlof aangevraagd en ook gekregen, maar ik kwam niet meer terug."

 

Aan een autobus zonder bruikbare motor hadden de Duitsers niets, zodat er van alles uit werd gesloopt. Ten slotte werd het een onderkomen voor kippen. Na de oorlog is de bus in Hoek van Holland teruggevonden en heeft daar nog enkele jaren gereden met een GMC dumpmotor.

 

Luchtaanval op het stoomschip Wachtel

Naarmate de geallieerden na hun landing op 6 juni op de stranden van Normandië oprukten in oostelijke richting van Nederland, verplaatsten de geallieerde jachtbommenwerpers zich mee. Tegen oktober hadden de Typhoon-Squadrons bases bij de Nederlandse grens bereikt. Dit hield in dat Duitse militaire doelen in ons land steeds intensiever aangevallen werden.

 

Het Duitse vrachtschip Wachtel.

Foto: P. Heystek.

 

Op maandag 2 oktober lag het Duitse vrachtschip Wachtel (992 Brt.) van de Argo Linie geladen met munitie voor anker in de Nieuwe Waterweg, recht tegenover een zware batterij luchtafweergeschut. De stelling Waterweg stond opgesteld op het Stort tussen de Schutsluis en de plaats waar de in 1943 afgebroken leefgemeenschap de Noordbank had gestaan. Die ochtend vroeg kwam er op nog geen 75 meter hoogte een geallieerd toestel vanuit de Noordzee richting de Beer aangevlogen. Het vliegtuig vloog over het verankerde schip heen zonder actie te ondernemen, vermoedelijk een verkenningsvlucht. Luchtafweer beschoot het toestel, maar dat had geen succes.

 

Omstreeks 9.45 uur klonk vanaf de stelling Waterweg het luchtalarm. Op dat moment vlogen er op 2000 voet zeven Hawker Typhoons van het 266e Rhodesische Squadron van de RAF die vanuit het oosten kwamen aanvliegen en vanaf Maassluis over Rozenburg hun koers vervolgden in westelijke richting. Plotseling bogen drie Typhoons af naar rechts in de richting van Hoek van Holland en doken met de zon in de rug naar de Wachtel. Het munitieschip kreeg een voltreffer te incasseren die werd afgevuurd door het eerste toestel. Een enorme explosie volgde en een vuurbal als een reusachtige paddestoel rees met donderend gerommel boven de Waterweg uit. Kisten met granaten ontploften in de lucht, waardoor het tweede toestel in zijn duikvlucht getroffen werd. Het derde toestel kon tijdig wegdraaien.

 

Direct na de explosie werd er in Hoek van Holland groot alarm gegeven en kwamen de reddingsboten Jan Lels en de J.V. Wierdsma in actie. Het wrakhout dreef de boten tegemoet. De Nederlandse bemanning verwachtte niet dat tussen deze ravage nog overlevenden te vinden zouden zijn. De zoekactie van de Jan Lels moest voortijdig worden afgebroken omdat er iets in de bakboordschroef terechtgekomen was, waardoor de bakboordmotor uitviel. Bij het binnenvaren van de Berghaven viel ook de stuurboordmotor uit. De vaart die nog in de Jan Lels zat was net genoeg om de ligplaats te bereiken. Tijdens een onderwater-inspectie van de Jan Lels in de namiddag bemerkte men dat er rond beide schroeven een kokostros verstrengeld zat. De J.V. Wierdsma zette de zoekactie nog enige tijd voort, maar ook deze reddingsboot kwam binnen zonder iets gevonden te hebben. Een schildwacht van de stelling Waterweg werd dodelijk getroffen.

Veehouder Hendrik van der Laan, eigenaar van een boerenbedrijf onder Poortershaven, bevond zich achter strobalen toen een stuk ijzer daar dwars door heen sloeg en hem dodelijk trof. 

 

Hendrik van der Laan.

Foto: Madelein van Baalen.

 

Op meer dan een kilometer afstand werden later stukken van de Wachtel in de Noordbankpolder en het Afgedamde Scheur teruggevonden, terwijl granaten op het Stort langs de Waterweg en in de Scheurpolder werden aangetroffen. De explosie was zó hevig dat er zelfs in Brielle ruiten stuk sprongen. Om 12.00 uur was de donkere wolk van de explosie, nog hoog in de lucht zichtbaar.

 

Willem Hordijk en Willem Lievaart

Willem Hordijk en Willem Lievaart, beiden woonachtig op de Krabbe, behoorden tot die Rozenburgse mannen die, nadat de Duitsers een week daarvoor onder het dreigement Rozenburg met het kustgeschut uit de Scheurpolder plat te zullen schieten, gedwongen waren werkzaamheden uit te voeren op de Beer.

Voor Willem Hordijk en Willem Lievaart was het de laatste gedwongen werkdag. Die ochtend had Willem Lievaart tegen zijn vrouw gezegd: "Ik breng vanavond mijn spullen mee, dan is het gelukkig afgelopen".

 

Willem Lievaart, links, en Willem Cornelis Hordijk.

Foto's: W.H. Lievaart en L.J. Hordijk.

 

Bij de Looi wachtten ze op de autobus die hen naar de Beer zou vervoeren, maar de bus was vol en reed zonder te stoppen door. Besloten werd dan maar te gaan lopen. Op het moment dat de luchtaanval op de Wachtel begon bevonden zij zich tussen de stelling Waterweg en het Oude Scheur. De aanval verraste de mannen volkomen. Bij de poging om dekking te zoeken in een eenmansputje, die overal langs de betonweg waren gegraven, waren ze te laat. Vermoedelijk is Hordijk door de enorme luchtdruk met zijn hoofd tegen de kantstenen van de betonweg geslagen. Hij was op slag dood.

Willem Cornelis Hordijk werd op 22 maart 1888 geboren te Scherpenisse. Hij was gehuwd met Adriana de Rijke. Zij hadden vier kinderen. Willem Lievaart, geboren op 28 januari 1901, was gehuwd met Jacoba van Pelt. Het echtpaar Lievaart had drie kinderen.

 

Wim Lievaart, destijds 14 jaar: "Ik was thuis in de tuin toen die vliegtuigen aankwamen. De eerste bom was een voltreffer. De ontploffing was zo hevig dat het volgende vliegtuig er door werd getroffen en in het Westland terechtkwam. Er hing een poosje later een bedrukte sfeer op de Krabbe, niemand zei iets tegen ons. Ik ben op de fiets gestapt om informatie te krijgen. De betonweg lag vol met ijzer, hout en verwrongen granaathulzen. Dat schip was met de hele munitievoorraad uit elkaar gereten. Ik zag Hordijk langs de weg liggen onder een jas. Bij de bunker van de Duitsers hoorde ik dat vader gewond was.

Hij was met een Rode Kruis auto van de Duitsers naar een ziekenhuis in Rotterdam onderweg. De hond van jachtopzichter Willem Pols had vader gevonden op 60 meter van de plaats waar Hordijk lag. Vader was aan zijn hoofd getroffen door een stuk ijzer en weggeslingerd door de enorme luchtdruk. Toen ik thuis kwam was moeder intussen ook op de hoogte gebracht. Met oom Hannes van Pelt ging ze op de fiets naar Rotterdam. Twee dagen heeft het nog geduurd. Op het platte bandenwagentje van de Landverbetering werd de kist naar de begraafplaats gebracht. Wij zaten in het koetsje van Van der Sar en tijdens de begrafenis ging het luchtalarm."

 

Hannes van Pelt

Donderdag 13 oktober werd een zwarte bladzijde in het gezin Van Pelt. Op die dag moest er tarwe vervoerd worden en reden Adam van der Meer en Hannes van Pelt met twee beladen wagens achter een tractor, van de Krabbe naar een schuit die in het haventje naast de Veerheuvel lag afgemeerd. Aai Korres was de bestuurder van de tractor. Ze waren net boven aan de Vink, toen er vanuit de richting Maassluis drie vliegtuigen laag overkwamen en het transport beschoten. Hannes van Pelt sprong meteen van de wagen en werd links daarvan dodelijk getroffen. Johannes Abram van Pelt, geboren op 31 maart 1902, was gehuwd met Pietertje Robbemond. Het echtpaar had drie kinderen.

Hannes van Pelt, midden, zittend op een sproeimachine.

Foto: fam. Van Pelt.

 

Aai Korres over dit verschrikkelijke moment: "De remstang die ik vast had werd in tweeën geschoten. Ik wilde proberen om de remmen van de wagens vast te zetten, maar toen kwamen die vliegtuigen alweer terug. Ik ben aan de andere kant van de weg bij het huisje van Maarten Romers omlaag gerold. De wagens reden aan de andere kant van de dijk, de kant van Aai Kleijwegt, waar het weiland als het ware werd omgeploegd door een straal munitie. Adam van der Meer en ik ontsnapten aan de dood. Even later moesten we constateren dat Hannes om het leven was gekomen."

 

Volgende