Tragedie in Zwartewaal

Van  waren vooral Zwarte Willem en Sally bekend bij de Rozenburgse bevolking. Zwarte Willem was een geniepig persoon die geen pardon kende. Wanneer hij wachtdienst had bij het veerhoofd nam hij alles in beslag wat hij maar kon ontdekken. Sally was de oudste van de twee, hij was gemoedelijk en niet zo fanatiek. Voor hem was een goed leven en het overleven het belangrijkst. Bij Arie H. Lievaart was hij vaste klant van zuivelproducten. In ruil speelde hij vertrouwelijke informatie door, vooral wat razzia’s betrof. Mede aan hem was het te danken dat er zo weinig onderduikers in Rozenburg zijn gepakt.

 

 De Grüne Polizei was ingekwartierd in het hoge huis aan de Zanddijk.

Tekening: JT Prooi.

 

Op 4 december gaf Sally aan Arie Lievaart door dat er de komende nacht een razzia zou worden gehouden. De onderduikers werden gewaarschuwd, maar er gebeurde die nacht niets in Rozenburg. Sally was wel goed geïnformeerd, maar wist niet altijd wat er precies ging gebeuren. De volgende dag hoorden de Rozenburgers dat er die nacht in Zwartewaal en Rockanje zoekacties waren gehouden met fatale gevolgen.

In een huisje aan de Meeldijk in Zwartewaal woonden de broers Johan en Jan Koene. De broers maakten deel uit van de Landelijke Organisatie (LO) voor hulp aan onderduikers en stelden hun woning beschikbaar als onderduikadres. In de herfst zat op dat adres een gedeserteerde Nederlandse SS’er ondergedoken. Hij moest plaats maken voor drie Italianen die uit de Wehrmacht wilden deserteren.

 

De SS’er vertrok naar een nieuw onderduikadres in Tinte. Door een plotselinge ziekte van zijn zoontje werd hem de gelegenheid gegeven een bezoek te brengen aan zijn vrouw in Rockanje. Een Landwachter herkende de gedeserteerde soldaat en gaf dit door, waarop de Duitsers de SS’er arresteerden. Om zijn leven te redden vertelde die alles waarvan hij op de hoogte was. Hij noemde de namen van de broers Koene, van Anton van der Zee uit Zwartewaal en van enkele inwoners uit Rockanje die volgens hem in het Verzet zaten. Inselcommandant E.E. Schermuly stuurde op 4 december, ‘s avonds om elf uur, zijn manschappen naar Zwartewaal en Rockanje.

Een drama vond plaats bij het huisje van de broers Koene. Johan en Jan werden op de vlucht neergeschoten. Hun huisje werd met benzine en een handgranaat in brand gestoken. Hierbij kwamen twee Italianen in hun schuilplaats om het leven. De derde Italiaan slaagde erin te ontsnappen en kwam de volgende dag in contact met de groep LO-Zwartewaal, die hem onderbracht in Pernis. Daar verbleef hij tot aan de bevrijding.

 

Door de Grüne Polizei werd er huiszoeking verricht bij de familie Jan van der Zee. Uit dit gezin van elf kinderen waren verschillende zoons actief in het Verzet. Twee zoons van Van der Zee en een schoonzoon, die meenden met een razzia van doen te hebben, hielden zich verscholen in een schuilplaats onder de vloer en werden daar gevonden. De Duitsers waren echter op zoek naar Anton die door de SS’er genoemd was als verzetsman. Anton was op dat moment niet thuis. Het gehele gezin, tot de jongste toe, weigerde te vertellen waar hij zich bevond. De Duitsers, woedend van het lange wachten en vergeefse zoeken, arresteerden vader Van der Zee, zijn zoons Willem en Henk en schoonzoon Kobus Voogt. Nadat ze naar Brielle waren vervoerd, volgde de volgende dag een verhoor door de SD. Moedig bleven zij weigeren ook maar iets los te laten.

 

De ZW 1 in de haven van Zwartewaal.

Foto. J. v.d. Zee.

 

Anton van der Zee, Zwartewaal: "Op het moment dat er naar mij werd gezocht bevond ik me samen met mijn broer Arij en Jan Goris aan boord van onze botter ZW 1 die achter ons huis in de haven lag. Om halfeen werden we wakker door het geluid van de met spijkers beslagen laarzen van soldaten, die van voor naar achter over het dek stampten. We dachten dat er een razzia bezig was om arbeidskrachten op te pakken. Voorzichtig keken we naar buiten en zagen dat de Duitsers in de nabijheid wacht hielden. Het was onmogelijk de botter ongezien te verlaten. Ook op de andere schepen die in de haven lagen, hoorden we ze over de gangboorden lopen. Tot onze schrik kwamen de soldaten weer terug naar onze botter. Arij kroop achter de motor, terwijl ik naast een olietank zat. Ik hield een revolvertje in mijn hand, maar ik wist niet wat ik ermee moest doen; wegstoppen of gebruiken.

 

Jan Goris zat onder het luik van de motorkap, toen een Duitser trachtte die op te lichten. We zagen dat de kap wat omhoog kwam, maar het klemde iets en schoot uit z’n vingers. Tot onze opluchting liet hij het daarbij. We hoorden ze nog even aan dek scharrelen en in het vooronder stommelen, maar ze vertrokken ten slotte van boord. Toen we dachten dat het veilig was ben ik naar huis gelopen, waar ik in het slop bij mijn moeder op het slaapkamerraam tikte. Tegelijk was onze buurman bij het kelderraam en hij vroeg: ‘Ben jij het, Anton?’ Ik bevestigde dat, waarop hij mij waarschuwde dat er naar mij werd gezocht. Mijn moeder schoof het raam open en smeekte me te vertrekken en Jan en Arij mee te nemen.

Ik hoorde de Duitsers nog in de straat lopen, zodat het nog steeds onveilig was. Terug bij de jongens in de botter vertelde ik over de arrestaties. Na onderling overleg besloten we naar Rozenburg te gaan. Jan en ik zijn over het gors naar de Maas gekropen, terwijl Arij met de zalmschouw de haven was uitgeroeid om ons daar op te halen. Vanaf dat punt roeiden we naar Rozenburg. Na veel moeite kwamen we op een dijk terecht en hebben het huis opgezocht van de familie Bart Lievaart aan de Langeweg 18, waarvan ik wist dat ze te vertrouwen waren. Ik meen dat we de volgende nacht daar ook hebben geslapen, maar we konden niet langer blijven omdat er ook op Rozenburg naar ons werd gezocht.

 

De moeilijkheid was dat we op een eiland zaten en de veerboot niet meer voer. Nadat Lievaart was gaan informeren, hoorden we van hem dat er iedere werkdag een roeiboot overkwam met werkvolk van Waterstaat. Dit zou voor ons de enige mogelijkheid zijn om aan de vaste wal te komen. We besloten het maar te wagen. We spraken af dat Arij naar Zwartewaal zou gaan om te informeren hoe de situatie daar was. ‘s Middags omstreeks vier uur zou de boot naar Maassluis varen om het werkvolk over te zetten. Op de Veerheuvel stonden twee schildwachten die moesten toezien dat niemand clandestien zou overvaren. De boot werd al van de wal geduwd toen we hollend aankwamen en riepen dat we ook nog mee moesten. We vlogen de verbouwereerde schildwachten voorbij en konden nog net aan boord springen.

 

Toen we op Maassluis aankwamen gingen we op zoek naar de Trompstraat, waar een oudoom van mij woonde. We hebben daar een nacht doorgebracht. De volgende dag kwam Arij weer bij ons en van hem hoorden we het verschrikkelijke nieuws; vader, mijn beide broers en drie mensen uit Rockanje gefusilleerd, de broers Koene doodgeschoten en twee onderduikers verbrand. We besloten naar Vlaardingen te lopen om ons daar in verbinding te stellen met een neef van mij, die contacten had met het Verzet.

In de namiddag van 7 december gingen we op stap. Bij onze neef aan de Vetteoordskade, nu de Verheijstraat, werden we snel binnengehaald. Daar hadden ze al vernomen wat er allemaal was gebeurd en ze deden hun best om ons te troosten. Diezelfde avond zijn we opgehaald door mensen van het Verzet die ons naar de boerderij van de familie Hoogendam aan de Broekweg brachten, waar we zijn ondergedoken."

 

Het Verzetsmonument 1940 - 1945 werd op 5 mei 1950 onthuld.

Foto: J. Prooi.

 

Na de bevrijding namen Anton, Arij en Piet van der Zee het besluit om het beroep van hun vader voort te zetten. Op 5 juni 1945 voer hun boot op de Brielse Maas bij het Stenen Baken, tussen Brielle en Oostvoorne, op een mijn. De botter werd vernield. Arij verloor hierbij het leven, terwijl Anton ternauwernood door zijn jongere broer Piet gered kon worden.

 

Ernst Eugen Schermuly werd na de Tweede Wereldoorlog aangehouden en als oorlogsmisdadiger veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar. Hij heeft een deel van zijn gevangenisstraf uitgezeten in de Koepel van Breda.

 

De oranje wimpel

Ondanks de mededeling van de bezetter dat elke demonstratie of huldebetuiging aan het Oranjehuis verboden was, hing Piet van Vliet bij iedere koninklijke verjaardag de Nederlandse vlag uit. Tot op het moment dat de plaatselijke politie besloot daar een einde aan te maken, waarbij de vlaggenstok in stukken brak. De oranje wimpel die bij de vlag hoorde droeg Piet daarna altijd bij zich in de binnenzak van zijn jas. Dat die wimpel nog eens goed van pas zou komen, blijkt uit het volgende verhaal.

 

 

Piet van Vliet tijdens de mobilisatie van 

1914-1918 als cavalerist.

Foto: fam. Van Vliet

 

Toen er gebrek aan brandstof ontstond konden Piet van Vliet en Aai van Es bij personeel van de BPM spek ruilen voor cokes. Er werd op Rozenburg nogal wat geslacht en er waren veel gegadigden die niet bij een koude kachel wilden zitten. Flip Klapwijk was in het bezit van een jol die hij wel aan Piet en Aai wilde afstaan. De overtochten werden in het donker gemaakt. Maar het zat niet altijd mee. Door een krachtige wind en de sterke stroming konden Piet en Aai op een avond de afgeladen jol niet meer houden. Hoe ze zich ook afbeulden aan de riemen, ze kwamen de Westgeul niet over. Ze dreven af naar de Nieuwe Waterweg, waar tot overmaat van ramp snelboten uit het duister opdoemden die hen gelukkig niet opmerkten. In het beestenweer brak ook nog een roeispaan. Onder de Vlaardingse oever liep de jol vast in het riet. De jol werd een prooi van de golven, schepte water en zonk met de kostbare lading. Half zwemmend en ploeterend wisten ze aan wal te komen. Piet van Vliet had op het Stort langs de Vlaardingsedijk familie wonen, waar ze doorweekt aankwamen.

Op Rozenburg zaten twee families in onrust omdat de mannen niet thuis waren gekomen. De volgende ochtend liepen Piet en Aai naar de boot in Maassluis en vervolgens naar huis, waar iedereen opgelucht adem haalde. Maar de beide Rozenburgers wilden zo snel mogelijk terug naar de plek waar de jol gezonken was. Het water was gezakt en ze vonden hem scheef hangend en vol met water terug. Ze groeven een put in de lading cokes en gingen aan het hozen. Daarna was het wachten op de vloed en jawel, de jol dreef weer. Onder betere weersomstandigheden staken ze de Nieuwe Waterweg over naar het insteekhaventje aan de oostpunt van Rozenburg.

 

Met een karwet van Jan Versteeg werd de cokes naar Rozenburg vervoerd. Dat was enkele keren heen en weer rijden. Hierdoor kregen de Duitsers van de stelling op de Bosch argwaan. Wat sjouwden die mannen daar toch?

Dat was duidelijk toen ze de lading cokes zagen. Het leek op inbeslagname uit te draaien. Juist op dat moment doken er twee Spitfires omlaag. 

 

Spitfire

 

Toen ze zwenkten greep Piet de oranje wimpel uit zijn binnenzak en zwaaide uit alle macht naar de vliegtuigen. Er kwam geen salvo uit de mitrailleurs en vlakbij trokken de piloten hun toestellen weer op en verdwenen uit het zicht. Zonder verder commentaar vertrokken de soldaten, beseffend dat Van Vliet ook hun leven had gered.

 

De Hongerwinter

De Nederlandse Spoorwegen gingen op instructie van de Nederlandse regering in Londen, op 17 september in staking. Het doel van deze staking was het zoveel mogelijk beletten van vervoer van Duitse troepenconcentraties. Door deze staking werd ook het vervoer van voedsel per trein onmogelijk. Het transport van vooral aardappelen en graan uit het noorden en oosten van ons land naar het westen kon toen alleen nog per schip plaats vinden. De Duitse autoriteiten legden uit wraak het vervoer te water stil. In de maand oktober was in het westen het officiële rantsoen één kilo aardappelen en één brood per persoon per week. Dit was nauwelijks genoeg om in leven te blijven.

Voor dat hongerrantsoen was per week een aanvoer nodig van 3500 ton aardappelen en 2500 ton graan. Van begin november tot begin december was gemiddeld per week iets meer dan 2000 ton aangevoerd. Er was ook gebrek aan kolen. Het oorlogsfront liep dwars door Nederland. De aanvoer uit de kolenmijnen in Zuid-Limburg was afgesneden. In oktober was er geen gas en elektriciteit meer. Men behielp zich met alles wat branden wilde, meestal in noodkacheltjes. In de grote steden werden duizenden bomen omgehakt.

 

Henk Bergwerff: "In die laatste oorlogswinter was er ook op Rozenburg gebrek aan brandstof. In een aantal weilanden waren houten palen ingegraven zodat daar geen vliegtuigen konden landen. Van die palen zijn er nogal wat in Rozenburgse kachels verstookt. Mijn vader en mijn broer Freek haalden ‘s morgens vroeg toen het nog donker was, er een uit het weiland van de gebroeders Van der Kooij aan de Langeweg. Na het graafwerk in de duisternis werd de buit naar de weg gesleept. Bij de slootkant aangekomen hoorden ze een aantal Duitsers met elkaar praten; het was een fietspatrouille. Er was maar één oplossing; de paal de sloot in en zelf erbij. Zo ontsnapten ze aan een arrestatie."

 

Gerrit Quak: "Jaap van Baalen en ik reden kolen voor de Duitsers. Zegt Jaap tegen me: ‘Die luitenant die over de kolen gaat lijkt me een beste vent. Ik moet maar eens om een mud kolen vragen.’ Die officier ging akkoord en zette zijn handtekening voor één hectoliter kolen. Ik zeg tegen Jaap: ‘Dat is ook de moeite niet, allebei een half mud. Laat mij nou maar een nul achter die één zetten.’ ‘Dat kan je niet doen, als het fout loopt’, zei Jaap, die hem behoorlijk kneep. Maar ik zei: ‘Die luit staat heus niet bij de Schutsluis op wacht.’ We gooiden die tien mud kolen op mijn wagen en ik reed voorop naar de controlepost bij de Schutsluis. Daar ging ik keurig mijn briefje tonen. Ze zagen die handtekening en kwamen geeneens bij onze wagens kijken. ‘s Avonds hadden we allebei vijf mud kolen in het hok en dat loonde meer de moeite dan een half mud."

 

Ds. Cornelis de Ru: "Honger werd er op Rozenburg niet geleden. Zo kregen we van de gezamenlijke boeren een biggetje dat in de achtertuin werd verzorgd. De boeren zorgden beurtelings voor voer. Het varken werd door Arie Lievaart in de pastorie geslacht. Van het resultaat werd een foto gemaakt met enkele seconden belichtingstijd. In Scheveningen werd het filmrolletje ontwikkeld. De fotograaf schreef achter op de foto van het geslachte varken: ‘Voor mij?’ We hebben het goed gemaakt door hem melkbonnen te geven."

 

Jaap Gille: "Het varken was op naam van tuinman Wim Kleijwegt geslacht, maar stond wel clandestien bij dominee De Ru in de kelder. Bij een dreigende controle op een donkere winteravond hebben Jaap en Adam van Exel en ik het in stukken gehakte varken met een handkar naar Wim Kleijwegt gereden. Daar was het veilig, maar wat was het koud en wat hebben we dat varken toen verwenst."

 

Mien Kleijwegt: "Om de boel thuis warm te stoken en eten te koken gingen we hout zoeken aan de Waterweg en werden de gebruikte cokes nog eens door een zeef gegooid om te zien of er nog een paar goede stukjes tussen te vinden waren.

Af en toe werd er omgeroepen dat er een noodslachting had plaatsgevonden. Bij Wim van de Berg konden we dan in zijn schuurtje achter een café aan de Laan, vlees kopen. Tarwe werd eerst gemalen in een koffiemolen en gezeefd. Later in een molentje dat door Ouwendijk was ontworpen en gemaakt. Het was een soort windmolentje. Daarbij was de leus: ‘Koop toch in de vreemde niet, wat uw eigen plaats u biedt’. Eten dat werd meegenomen voor buiten Rozenburg werd door de mensen vaak in zakjes genaaid of in de binnenvoering van een jas verstopt. Ook werden er zakjes om de kuiten vastgebonden. Bij de Waterweg stonden de Duitsers op wacht bij het veer. Bij een controle hadden de mensen het niet best. Er stond daar wel een kwaaie mof op wacht, Zwarte Willem noemden wij hem. Wanneer die iets bij de mensen vond, moesten ze het eten in het water gooien. Dan hadden ze weer niks."

 

Met ongeveer vijf ton aardappelen in de schuit van Klaas Degeling vertrok Willem Pols naar Rotterdam. De aardappelen waren door Piet de Bruijne geleverd en eigenlijk voor de bezetter bestemd. Volgens de vervalste papieren, waarop echter een benodigd stempel ontbrak, bestond de lading uit ‘Aardappelen voor varkensvoer’. Om die indruk bij een controle te wekken werden bij een aantal luiken slechte aardappelen bovenop gegooid. Ook Arie Goudswaard en Alie Quak bevonden zich aan boord. Zij wilden aardappelen ruilen voor meubelen.

In Rotterdam aangekomen bleek een brugwachter hongeroedeem te hebben. Aan de man werd een half mud afgegeven. Bij een pakhuis aan het Boerengat werd afgemeerd. Aan de andere kant van de kade keek de oud-Rozenburger Jan van der Giesen zijn ogen uit toen hij de Rozenburgers en de aardappelen zag. Binnen de kortste keren stond hij aardappelen te scheppen in de schuit.

 

Bij een pakhuis aan het Boerengat werd afgemeerd.

 

Pols ging op de fiets Rotterdam in: eerst naar dokter Bast voor Jan Bakelaar. Er zat een bordje op de deur met de tekst: ‘Gelieve niet te bellen. Niets af te geven’. Pols belde toch aan en zei tegen de vrouw van de dokter dat hij drie mud aardappelen voor haar had van Bakelaar uit Rozenburg. Vervolgens ging Pols naar zijn broodheren Van Beuningen en Pietersen en nog een aantal anderen. Via de kerk was er voor gezorgd dat de lading werd verdeeld. De aardappelen werden zelfs met kinderwagens afgehaald bij de schuit.

 

De toestand werd met de dag slechter. Voedselzoekers trokken tot diep in de kop van Noord-Holland, naar de Wieringermeer, de Veluwe, de Achterhoek en Friesland. De Zuidhollandse eilanden en Zeeland werden overstroomd met mensen die op zoek waren naar wat voedsel. De regering in Londen maakte zich grote zorgen. Premier Gerbrandy schreef op 16 december aan de geallieerde opperbevelhebber Eisenhower een brief met de vraag of het niet mogelijk was een offensief te beginnen om Nederland te bevrijden.

 

Manus de Bruin: “We maken stroop van suikerbieten. Van zeven flinke bieten komt ruim een kilo stroop. ‘t Smaakt best op de boterham,. Ik heb eieren voor tabak geruild met oom Cor. Een half pond tabak voor 10 eieren. Eén ei komt dan op vijf gulden als je de tabaksprijs van ‘t ogenblik rekent. 200 Gulden voor één kilo tabak. Dat waren dus dure eitjes. Vanavond hebben we er twee in een pannenkoek gebakken. Dat was een pannenkoek die minstens 12 gulden kostte als je alle boter, melk en eieren rekent. Een gekke tijd in ieder geval. Als je rekent dat een ei in 1940 nog 2½ cent kostte en nu 5 gulden, dan zie je het beste het verschil.

 

Suikerbieten koken.

 

Nu komt er af dat we deze week geen brood krijgen van de bakker. En dan vervolgens 500 gram per persoon per week, zolang de voorraad strekt. Wij (dat zijn bijna alle mensen) gaan nu iedere boer die aan ‘t dorsen is af, voor een paar kilo tarwe of erwten. Meestal krijg je wel wat, maar soms ook niet, dan ben je natuurlijk danig boos, dat voel je wel. Ik heb op die manier al 67 kilo bij elkander gekregen, plus 10 kilo die moeder en ik op hebben gelezen, deze zomer, plus een half mud, 40 kilo, die ik ergens heb gekregen, dat maakt dus 107 kilo bij elkander. Dat is veel en toch nog te weinig. 

Want als we straks geen brood meer krijgen, dan hebben we vijf kilo tarwe per week nodig en ‘t duurt nog heel erg lang eer we september hebben, de nieuwe oogst. Want aardappelen zijn er ook nergens meer te krijgen, die hebben we ook te weinig, al hebben we nog twee mud te goed. Maar je hoort wel dat wij nog nergens gebrek aan hebben gehad. Tot op ‘t ogenblik nog steeds voorraad zelfs. Heel anders is het in de steden. Daar lijden ze gebrek; niet in een bezorgd zijn van: over zoveel dagen of weken is de voorraad op, zoals wij dat doen, maar iedere dag niet te weten wat te eten. Niets in huis. Dat is pas erg.”

 

Fragment uit het dagboek van Lijntje Moree: "Er is nu werkelijk hongersnood uitgebroken. Per week krijgen we zes ons brood en per twee weken twee kilo aardappelen. Boter, melk en suiker is er helemaal niet meer. Wel één ons kaas en anderhalf rantsoen vlees in veertien dagen. Wij maken uit bieten stroop. Maar in de stad is het verschrikkelijk. Als dit nog langer duurt sterven de mensen van de honger. Kolen zijn ook niet meer te krijgen. Veel mensen proberen nog op Rozenburg te komen voor voedsel. Dat is heel moeilijk geworden.

De veerboot Hoofdingenieur van Elzelingen is weggehaald. Er vaart alleen een roeiboot waar hoogstens 30 mensen in kunnen. Bovendien houden de Duitsers de wacht bij de steiger. Maar honger is verschrikkelijk en velen staan te dringen om toch maar op Rozenburg te komen. Lukt het, dan krijgen ze als er een boer aan het dorsen is drie of vier kilo tarwe of erwten. Je ziet ze soms in een drom voorbij trekken als er bekend is dat er een boer aan het dorsen is. En dan maar hopen dat na de gewaagde oversteek het ook weer lukt om met het zo fel begeerde voedsel thuis te komen, zonder dat het wordt afgepakt. Kinderen uit de steden komen soms aan de deur om een boterham vragen. Hier op het platteland is er nog wel eten, maar hoelang nog?"

 

Wij woonden op de hoek van de Heuveldijk en de Schansdijk.

Tekening: JT Prooi.

 

Francien de Jong-van Staalduinen, Oostvoorne: "Wij woonden op de hoek van de Heuveldijk en de Schansdijk, dicht bij het veer, waar we tot ver in ‘44 Duitsers ingekwartierd hadden. Tijdens de Hongerwinter kwam telkens die afgeladen roeiboot met voedselzoekers naar Rozenburg. Om aan eten te komen belden ze dan huis aan huis aan. Eén keer in de week maakte ik voor die uitgehongerden een pan met tien liter erwtensoep. Nadat bekend was geworden waar ze soep konden krijgen ontstond er een stormloop op ons huis. Pleuntje Pols die bij ons dienstmeisje was, hield toezicht op de verdeling van de soep zodat alles ordelijk zou verlopen. Als er één voor de tweede keer probeerde een portie te krijgen, kreeg diegene van Pleuntje de wind van voren."

 

Leendert van der Meer: "Op Rozenburg was voldoende eten. Het begrip Hongerwinter kreeg voor mij pas betekenis toen er een man bij mij aan de deur kwam en om eten vroeg. Er was nog een bergje met van die hele kleine knikkeraardappeltjes, van die kleine krieltjes. Die waren bestemd voor de varkens. Toen ik dat tegen hem zei knielde hij bij het bergje neer en huilde van geluk toen hij de krieltjes mee mocht nemen."

 

Jo Bergwerff: "Iedere Rozenburger trachtte via goedgeefse boeren een voorraad tarwe te bemachtigen voor eigen levensonderhoud of voor familie en kennissen buiten Rozenburg. Bij Huibrecht Willem van der Wilt, de molenaar van korenmolen de Hoop, kon je terecht om de tarwe te malen. Als je wat te malen had ging je eerst vragen wanneer je met je tarwe kon komen. Van der Wilt was een zwijgzame man, enkele woorden waren genoeg. Ik geloof niet dat hij iets opschreef.

 

‘s Morgens vroeg als het nog donker was ging je met een fiets of een kruiwagen naar de molenaar. Draaiende wieken zouden te veel in de gaten lopen, dus werd de tarwe in de aangrenzende schuur met motorische kracht gemalen. Vaak waren er al klanten in de schuur aanwezig en eer je aan de beurt was, waren er al weer anderen naar binnen gekomen. Gespannen wachtte je op je beurt en alleen bij het afrekenen werden enkele hoognodige woorden gewisseld. Altijd hetzelfde tarief, nooit rekende Van der Wilt iets meer. Van het meel werd bij bakker Cornelis Pieter Langstraat voor een kwartje zestien-ons tarwebroden gebakken. Op een apart zoldertje, met een onzichtbare toegang achter de oven, lag zo'n dertig mud tarwe van klanten opgeslagen.

Op een zaterdag was er controle van de Centrale (Crisis) Controle Dienst, de CCD. Door verraad wisten ze precies waar ze moesten zijn, de tarwe werd in beslag genomen. Door bemiddeling van Van Helden bij de autoriteiten, die wist dat Langstraat nooit zwart handelde, had dit geen verdere gevolgen voor de bakker."

 

Arie van Gaalen komt meel ophalen bij 

molenaar Huib van der Wilt.

Foto: Historische Vereniging Oud Rozenburg.

Het paard van Jaap de Jong.

Foto: W. de Bruin.

 

Manus de Bruin: "Maarten de Jong, zoon van Jaap de Jong, kwam van korenmolen de Hoop met paard-en-wagen met daarop meel. Je moest een vergunning hebben om graan te laten malen. Een deel mocht je zelf houden voor veevoer. Een controleur kwam naast hem fietsen. Maarten gaf het paard een tikje, zodat die flink in draf ging. De controleur kon het tenslotte niet bijhouden en raakte achterop. Maarten had twee hekken opengezet, zodat hij in volle draf naar binnen kon rijden. De controleur kwam hijgend binnen op zijn fiets. 'En, heb je een vergunning?' Maarten knikte van ja. De controleur: 'Heb je me daarvoor zo hard laten rijden?'

 

Sjoukje de Bruin-Berends:“Onze Wim is al een hele piet geworden. We hebben hem aan een haak gehangen om te wegen, aangezien er geen consultatiebureau meer is wegens het kolentekort. Wim woog 17 pond. De donkere tijd die we meemaken heeft op hem tot nog toe geen invloed. Heel anders is het gesteld met de stadskindertjes. Die lijden honger en kou. Gisteren zijn hier een groepje Haagse kindertjes aangekomen, die zijn bij verschillende mensen ondergebracht. Er waren ook een neefje en een nichtje van onze kleine Wim bij. Die zijn hier bij familie. Gisteren ben ik ‘s middags wezen kijken. Het leverde een zielig schouwspel. Er waren nog hele kleine kindertjes bij, van 1½ à 2 jaar. We zullen hopen dat we Wim nooit van de honger de deur uit moeten doen.”

 

Het onderwater zetten van landerijen op Putten bracht verschillende bewoners van dit gebied als evacué in Rozenburg, waar zij in de meeste gevallen bij familieleden werden ondergebracht. Bovendien werden er stadskinderen opgenomen. Contacten tussen de kerken van plattelandsgemeenten en steden hadden tot resultaat dat stadskinderen die daarvoor in aanmerking kwamen gedurende een bepaalde periode bij gastgezinnen op het platteland werden ondergebracht.

Op zaterdag 16 december vertrok een groep van ongeveer 80 kinderen met een boot vanuit Den Haag naar Rozenburg. De zusjes Stientje en Greetje Janse behoorden daarbij.

 

Stien van Dijk-Janse, Den Haag, toen 12 jaar: "Mijn vader was als beroepsmilitair krijgsgevangene, mijn moeder astmapatiënt. Toch heeft moeder ons op die donkere morgen naar de Soestdijksekade gebracht. In die boot lag stro waarop we konden gaan zitten of liggen. Vroeg in de middag arriveerden we in het Rozenburgse haventje en werden we naar het café van Lies van Dijk gebracht. Daar stonden de mensen die zich opgegeven hadden om een kind in huis op te nemen. Ik had maar één gedachte; als we maar bij elkaar kunnen blijven. Toen Greetje, die op 31 december negen jaar zou worden, aan iemand werd toegewezen ben ik vreselijk gaan huilen. ‘Ik wil bij mijn zusje blijven’, riep ik door mijn tranen heen. Toen mochten we met z’n tweeën naar dezelfde familie. Het eerste wat ik daarna vroeg was: ‘Is het nog ver?’ Ik moest zó hoognodig. Er waren wel potjes aan boord, maar ik kon met al die kinderen erbij daar geen gebruik van maken. Van ‘s morgens zes uur af had ik geen plas gedaan.

Wij kwamen terecht bij de familie Freek Bergwerff, Bomendijk 47. Ik weet nog dat mevrouw Bergwerff de kelder inging en zei: ‘Ik zal jullie een prakkie geven, maar niet te veel, daar kan je misschien nog niet tegen.’ Het waren stoofpeertjes die klaar stonden voor zondag. Wat ik ook nooit vergeten ben is dat zuster Bosman m’n hoedje afdeed en me inspecteerde op hoofdluis en daarna het achterstevoren weer bij me opzette."

 

Janie Voogt-Bergwerff: "Greetje had zo’n heimwee naar huis dat ik met haar op de fiets met een stepwieltje vóór, naar Den Haag ben gegaan. De fietstassen waren gevuld met groente en aardappelen voor haar moeder en oudere zus. Op de terugreis naar Rozenburg reden we in een fuik bij het Dekkershoekje in Loosduinen. Fietsenrazzia! Mijn fiets werd gevorderd, daar stond ik dan met Greetje. ‘Hoe moet ik nu thuis komen met dat meisje’, riep ik huilend, ‘Het is nog zo ver!’ De Duitser kreeg bloed voor ‘t hart en met een nijdig gebaar gaf hij toch de fiets en de tassen aan mij terug."

 

 

Carl van der Plas (1930), Den Haag: “Een van de begeleiders tijdens de boottocht naar Rozenburg was Willy van Hemert. Van Hemert, van Rooms-katholieke afkomst, was operettezanger en revueartiest en later een gerenommeerde televisieregisseur. Tijdens de lange tocht op de bodem van het groenteschip naar Rozenburg, probeerde hij de moed erin te houden door liedjes met ons te zingen. Zelf viel hij opvallend stil wanneer de Protestante meerderheid van de kinderen hun eigen vertrouwde repertoire inzette. Zijn dochter Ellen behoorde ook tot ons groepje.

 

Ellen van Hemert als filmster.

 

Dat we honger hadden bewijst mijn eigen papherinnering. Ik lustte geen pap, als kind niet en later ook niet. Maar in de Hongerwinter, gingen mijn zusje en ik gewapend met een lepel, naar de gaarkeuken in de Colensostraat in Den Haag om de leeggeschepte paplamellen uit te schrappen. Ik was nog niet op Rozenburg of ik weigerde alles wat op pap leek.

 

Ik realiseer me heel goed hoe onbegrijpelijk en weinig dramatisch ons verblijf op het eiland Rozenburg was in vergelijking met het lot van zovele anderen. Hoe wonderlijk het misschien mag klinken, de winter van 1944-1945 op Rozenburg behoort wat mij betreft tot de gelukkigste en meest interessante perioden in mijn leven. We werden er hartelijk ontvangen en gastvrij ontvangen. Mijn zusje bij Jaans van der Meer en haar broers Daan en Jan in de Vildersteeg en ik bij de familie Oosterlee: ouders van vijf kinderen en de inwonende opa Oosterlee. 

 

Carl van der Plas aan het werk op de boerderij.

Foto: C. v.d. Plas.

 

Ben Quak had ze gevraagd een jongetje in huis op te nemen. Jannie, de vrouw van Ben, bij wie mijn neef Henk Pakker uit Rotterdam als onderduiker verbleef, was voor de oorlog dienstbode bij de familie Pakker geweest. Die relatie was de schakel naar mijn verblijf en dat van mijn zusje op het eiland Rozenburg. Ook onze moeder verbleef enige malen clandestien op het eiland en verbleef dan bij de familie Quak. 

Daardoor had zij ervaring met de tot de bootrand in het water liggende boot die met voedselzoekers de Nieuwe Waterweg werden overgeroeid. De familie Quak bewoonde het huis op het Stort tegenover de Zandweg. Ben was aardappelhandelaar en handelde in nog veel meer, onder andere in harmoniums. Op die instrumenten speelde hij heel vrolijke wijsjes. Bij dit grote gezin was altijd plaats aan tafel voor eters, voor onderduikers en passanten zoals mijn moeder. Het moet bij de organisatie, het vervoer en de plaatsing in de gastgezinnen heel oecumenisch zijn toegegaan. Ben Quak was sinds augustus conform artikel 31 ‘vrijgemaakt’, zijn enige klacht was dat de dominee op zondag wel erg lang preekte. De familie Oosterlee was hervormd, evenals de Van der Meeren. Mijn zusje en ik waren niet gedoopt.

 

En daar kwam ik dan, een 14-jarige puber die ouder was dan hun oudste kind en dat in dat kleine huisje. Zoon Jasper en ik sliepen dan ook op matrassen op de vloer. De boerderij bestond, afgezien van de zolderverdieping, uit een kamer met bedstede, een ‘doos’ met een ton en daarachter de koeienstal (de boes) en op het erf (de werft) een grote geteerde schuur.

 

De heer en mevrouw Oosterlee waren voor mij oom en tante. Op Rozenburg werd er in die tijd weinig gemeneerd en gemevrouwd. Oosterlee was Rinus (Oosterlee) en zijn vrouw, Jans Oosterlee-Louwen was ‘vrouw’ Oosterlee. Een pyjama was een pon en jus was sop. De Oosterlee’s hadden een klein gemengd bedrijf. Er was geen overdaad aan voedsel. Natuurlijk, er was melk en er waren aardappelen en groente. Er waren suikerbieten, waar stroop van gemaakt werd en er moest meel geweest zijn. Hoe anders kan ik op de zaterdagavonden virtuoos pannenkoeken hebben gebakken. De Oosterlee’s waren rechtschapen mensen die de christelijke naastenliefde in praktijk brachten. Om een klein detail te noemen: de spruitjes, het enige dat ze de stadsmensen op hongertocht konden aanbieden, werden door mijn pleegmoeder nagelopen op kwaliteit en de minder goede exemplaren er uitgehaald.

 

Het echtpaar Oosterlee met de dochtertjes Nellie en Corrie.

Foto: C. v.d. Plas.

 

De oorlog was er wel voor ons kinderen, maar op afstand. Ons beschermd wereldje was maar klein. Bijna alles op Rozenburg was ons onbekend. Ja, het hoge huis aan de Zanddijk was er waar de Grüne Polizei, Zwarte Willem met zijn kompaan, ingekwartierd waren. En wanneer er een luchtaanval was op Poortershaven doken we veilig weg achter de schuur om daarna, wanneer we dachten dat het weer veilig was, op het Stort te gaan kijken naar de gevolgen.

De kerk speelde in mijn leven op Rozenburg een bescheiden maar uiteindelijk een glorieuze rol. Er werd gebeden aan tafel en uit de bijbel gelezen. Die voorlezing werd ook wel eens door mij gedaan. Bovendien had mijn pleegmoeder aan mijn moeder gevraagd of ze het goed vond dat ik zondagsmorgens meeging naar de kerk. Ik herinner me dan ook de fraaie toga van dominee De Ru. Toen ik een keer niet naar de kerk kon wegens ziekte, vroeg oom Rinus me om toch maar niet voor het raam te gaan zitten, want voorbijgangers konden zich afvragen waarom die jongen bij Oosterlee niet naar de kerk ging.

Onmiddellijk na aankomst op Rozenburg raakte ik gefascineerd door het boerenbedrijf: boer zou ik worden. Mijn verstandige pleegvader gaf me de raad naar de Landbouw Hogeschool in Wageningen te gaan: ik zat immers op het lyceum. Toch zeurde ik net zo lang tot ik de barrière van ’je bent hier om te eten, niet om te werken, je hebt je schoolboeken bij je en je moet leren’ doorbroken had. Het begon met spruitenplukken in de vrieskou en het eindigde in het voorjaar met het lopen achter de eg. Alles met mate natuurlijk. Ik hiel een koe kalven en… ik leerde melken. Oosterlee was ouderling in de Hervormde kerk, maar naar de late middagdiensten kon hij nooit gaan. Er moest gemolken worden. Opa was er te oud voor en de kinderen waren nog te jong. Of ik op zondagmiddag de koeien wilde melken. En zo geschiede. Grotere eer is mij in het leven niet te beurt gevallen. Het melken zal ik wel verleerd hebben, maar mijn liefdesrelatie met koeien heb ik nog steeds.

 

Schuur bij de boerderij van Rinus Oosterlee.

Foto: C. v.d. Plas.

 

De vriendschap met onze pleegouders duurde letterlijk een mensenleven. Mijn zusje logeerde tot aan haar huwelijk ieder jaar bij Jaans van der Meer, of het nu op Pothof was, waar mijn pleegmoeder na de oorlog huishoudster werd bij Adriaan Mol, en daar logeerde Els dan, of later in Blankenburg. We gingen onze ‘aanstaanden’ op Rozenburg voorstellen en onze pleegouders waren bij de huwelijksvoltrekking. Toen opa Oosterlee overleden was, en later oom Rinus, was voor mij als ’oudste’ zoon een plaats gereserveerd in het eerste volgrijtuig.”  

 

Rinus Oosterlee.

foto: C. v.d. Plas.

 

Jan Willem Boehmer: "In 1939 telde Rozenburg 2700 inwoners en waren er twee dokterspraktijken. Daarom is voor mij onvergetelijk de vraag: ‘kunt u daar nou van leven?’ van een van de familieleden van mijn voorganger, toen de overnamesom ter sprake kwam. Dat was een reëele vraag, maar die bezorgdheid verdween in de loop van de oorlog, want toen werden de vijf broden en twee visjes uit de gelijkenis voor ons in Rozenburg werkelijkheid.

Hoe heeft de bevolking ons opgevangen! We hebben zelf niet alleen geen honger geleden, maar ook familie uit de hongerende steden kunnen bijstaan. Het was een kleine praktijk, het werk was af en toe zwaar, vooral door de in het begin slechte toestand van de wegen, zeker naar de Scheurpolder. Toen de benzine schaars werd moest op een motorfietsje worden gereden en gebeurde het dat mijn vrouw bij mijn terugkomst uit de polders zowel de motorfiets als mij moest afspuiten. Medisch gezien werd de verantwoordelijkheid in de oorlog steeds groter, vooral toen de veerboot niet meer voer en een roeiboot restte om ernstig zieken over te zetten. Met het oog hierop hadden wij in het burgemeestershuis van de ongehuwde burgemeester Just de la Paisiëres op de bovenverdieping een noodhospitaaltje ingericht. Gelukkig zijn er op Rozenburg niet veel inwoners door oorlogsgeweld omgekomen, des te erger voor hen die het trof en waar wij als artsen ook ten nauwste bij betrokken waren."

 

Jo Bergwerff: "De plaatselijke kerkenraden en predikanten besloten één keer per week een bidstond te houden in die verschrikkelijke winter van het laatste oorlogsjaar. De Gereformeerde kerk aan de Veerlaan was voor dit doel het meest geschikt, daar het centraal gelegen was. De predikanten bij deze bijzondere kerkdiensten waren dominee Polman van de Christelijke Gereformeerde kerk, dominee Brouwer van de Gereformeerde kerk en voor de Nederlands Hervormde Gemeente dominee De Ru.

Verwarming was er niet in de kerk, maar de sfeer was hartverwarmend. Met elkaar, zonder onderscheid van rang of stand of kerkelijke richting, verbonden in het gebed voor vrede. Vrede voor het zo zwaar beproefde deel van Nederland dat nog niet bevrijd was. Smeekbeden voor allen die deze extreem koude winter als het ware aan de poort van de dood lagen, onderkoeld en ondervoed. Er werd uit de bijbel gelezen bij het licht van een carbidlamp of van enkele kaarsen, want de elektrische verlichting was ook verleden tijd. Tegenwoordig is het romantisch om in kerstnachtdiensten het licht van kaarsen te laten schijnen. Toen was het de koude, grauwe werkelijkheid."

 

Naar hoofdstuk 9 van 10

Naar hoofdmenu