MAANDAG, 13 MEI
Om 4.30 uur waren de Britse marinetransportschepen Canterbury en Maid of Orleans onder begeleiding van de torpedobootjager Hereward afgemeerd aan de Harwichsteiger van Hoek van Holland. Na het afmeren volgde de ontscheping van het Britse Garde bataljon Irish Guards, dat onder commando stond van luitenant-kolonel Haydon. De oorlogsbodems kozen na de ontscheping weer zee.
Het contact met kolonel Haydon liep uit op een bittere teleurstelling. Generaal Winkelman en de Britse consul-generaal vroegen hem naar Rotterdam te gaan om de Nederlandse troepen bij te staan die in zware strijd waren verwikkeld met de 7e Duitse Vliegerdivisie. Het verzoek werd resoluut afgewezen. Kolonel Haydon verklaarde dat alleen de bevelen van het Britse ministerie van Oorlog konden worden opgevolgd. Gevraagd werd om dan ten minste het zwak verdedigde eiland Rozenburg met een compagnie te versterken. Ook dit vond geen gehoor bij de kolonel.
Zelfs aan de verdediging van de Positie boden de Britten geen hulp. Ze bleven waar ze waren, binnen het centrum van de Positie en organiseerden ten slotte een verdediging achter de Nederlandse stellingen en aan het niet bedreigde zeefront.
Vermoedelijk is het de bedoeling geweest dat de Britten naar Den Haag zouden oprukken om de Britse gezant in veiligheid te brengen. Toen het hen duidelijk was dat het gevaar voor de Residentie door de Nederlandse tegenmaatregelen praktisch was afgewend, vroegen zij onmiddellijk toestemming aan Londen om in Hoek van Holland te mogen blijven. Deze machtiging werd hen verleend, zodat het Garde bataljon werkloos binnen onze verdedigingslijn bleef.
Op deze dag verslechterde de toestand in militair opzicht zo snel, dat generaal Winkelman aan koningin Wilhelmina adviseerde Den Haag te verlaten. De Koningin besloot dat Zeeuws-Vlaanderen het reisdoel zou worden. Het duurde enkele uren voordat een gemotoriseerd militair escorte gevormd was. Dit escorte bestond uit leden van het korps politietroepen, ook enkele pantserwagens zouden meerijden. Om 10.00 uur reed men weg. In de auto van de Koningin zaten haar twee adjudanten en haar ordonnans-officier; alle drie met een geladen pistool in de hand.
De op Rozenburg geboren en getogen Adam Louwen, wonend in Monster en als chauffeur werkzaam bij het transportbedrijf De Wilde, kreeg de opdracht de Koningin en haar gevolg via een door hemzelf gekozen route naar Hoek van Holland te begeleiden. Op kop rijdend van het escorte zorgde Louwen ervoor dat het hoge gezelschap veilig in Hoek van Holland aankwam.
De Koningin scheepte zich in op de Britse torpedobootjager Hereward. Het was kapitein-luitenant ter zee J.J. Logger die het schip door de mijnenvelden richting Breskens moest loodsen. De Luftwaffe was boven Zeeland actief, zodat de plannen opnieuw moesten worden gewijzigd. Tegen de wil van de Koningin werd koers gezet naar Harwich in Engeland, dat omstreeks 17.00 uur werd bereikt.

Met de torpedobootjager Hereward voer koningin Wilhelmina naar Harwich.
Foto: Nederlands Kustverdedigingsmuseum Fort aan den Hoek van Holland.
Nadat koningin Wilhelmina was vertrokken besloot het kabinet ook te vertrekken. De ministeriële auto’s werden op de route naar Hoek van Holland door twee pantserwagens en door een aantal huzaren-motorrijders beschermd. Die dag vond binnen de Positie Hoek van Holland, in Fort Maasmond, het laatste kabinetsberaad plaats, voor de ministers uitweken naar Engeland. Er werden in het Fort twee belangrijke besluiten genomen. Het eerste was dat generaal Winkelman van het kabinet instructie kreeg ‘de strijd voort te zetten, maar overgave aan te bieden zodra verder weerstand bieden doelloos en nutteloos was’. Het tweede besluit was dat de regeringszetel naar Engeland zou worden verplaatst.

Koningin Wilhelmina.
Foto: Nederlands Kustverdedigingsmuseum Fort aan den Hoek van Holland.
Er werd een communiqué uitgegeven waarin werd gesteld: ‘In het stadium waarin de strijd thans is gestreden heeft de regering het noodzakelijk geacht, in het belang van het land en zijn overzeese gebiedsdelen en ter bewaring onder alle omstandigheden van haar volledige vrijheid van handelen, de zetel van het bewind te verplaatsen. Hare Majesteit de Koningin en haar ministers hebben zich daarom naar elders begeven'. Om 1920 uur vertrokken de ministers met de Britse torpedobootjager Windsor uit Hoek van Holland.

De Britse torpedobootjager Windsor.
Foto: Nederlands Kustverdedigingsmuseum Fort aan den Hoek van Holland.
In de Positie werd besloten het commando van de verdediging van het eiland Rozenburg over te dragen aan kapitein Smeele. Doordat er nog steeds verontrustende berichten circuleerden over te verwachten nieuwe Duitse luchtlandingen, achtte Smeele het beter de aanwezige troepen te hergroeperen. Er werd een verdedigingslinie gevormd vanaf de Brielse Maas, via het Afgedamde Scheur tot aan de Nieuwe Waterweg, met diverse patrouilles in het voorterrein. Na herhaald aandringen kreeg kapitein Smeele voor deze lijn 20 man versterking.
‘Door beschietingen vanuit Duitse vliegtuigen was het voedseltransport langs de linie meermalen een gevaarlijke onderneming geworden’, volgens een rapport van kapitein Smeele.
De veerboot Hoofdingenieur van Elzelingen kreeg een aanval van een Duits vliegtuig te doorstaan. De zenuwen van kapitein Jilles Zwartveld en zijn drie-koppige bemanning, maar ook van de aan boord zijnde passagiers, werden zwaar op de proef gesteld. Zeven bommen explodeerden in de nabijheid van de veerboot, zonder slachtoffers of zware schade te veroorzaken. Door de luchtdruk bleken er in de voorpiek van de veerboot een aantal klinknagels te zijn gesprongen. Op de Rozenburgse oever werden uit rijshout pennen gesneden en in de gaten geslagen. Een provisorische oplossing, maar het water sijpelde niet meer naar binnen.
Nadat er al eerder Rozenburgers, die lid waren van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) of bekend stonden als Duitsgezind, waren opgepakt, werden er op 13 mei nogmaals verscheidene ingezetenen door militairen gearresteerd, verhoord en opgesloten in Fort Maasmond. Niet alleen als pro-Duits bekend staande personen werden uit voorzorg opgesloten. Zo was er ook een ondernemer die, aldus de burgemeester, ‘door zijn onnodige onrust verwekkende praatjes tegen de klanten’, de cel van het brandspuithuisje ter afkoelling van binnen mocht bekijken.
“Die middag reed ik op verzoek van sergeant Kiers met mijn Opel naar kapitein Smeele in de Scheurpolder. Soldaat Raymakers moest Smeele rapport gaan uitbrengen over de situatie op Rozenburg. Ook mijn broer Piet ging mee. Raymakers was op de eerste oorlogsdag betrokken bij het vuurgevecht in de Noordbankpolder. Hij wilde wel een kijkje gaan nemen bij het Duitse vliegtuig toen wij daar langs reden. Op het moment dat we stopten kwam er van de andere kant een vrachtwagen aanrijden waar vanaf werd geschoten.
Soldaat Raymakers herkende zijn maats van de Scheurpolder en maakte onmiddellijk een zwaaiende beweging met zijn linkerarm, het voorgeschreven herkenningsteken.
‘Waarom schoten jullie?’, vroeg hij aan Henk Hoffmann die met de Chevrolet van Jaspert van der Hout bij hen stopte. ‘Het was een waarschuwingsschot voor alle zekerheid’, was het weerwoord. Ze hadden de opdracht om van het vliegtuig de benzinetanks met inhoud te demonteren.”
Henk Hoffmann: “We hadden benzine nodig voor onze auto’s. Leen van der Hout en ik hadden op 9 mei nog hout gereden voor de nieuw te bouwen barakken voor de Nederlandse militairen in de Scheurpolder. Toen brak ‘s nachts de oorlog uit en die kapitein zei dat we beter konden blijven en dat hij ons goed kon gebruiken.”
De broers Jan en Piet Groenewegen namen uiteraard hun kans waar om een en ander met eigen ogen te zien. Het transporttoestel was doorzeefd met kogelgaten en bovendien had het toestel een afgebroken landingsgestel. Het toestel had 12 zitplaatsen, plus twee zitplaatsen achter de stuurknuppels. Een van de Duitsers had kennelijk last gehad van luchtziekte, want op een van de stoelen was de inhoud uit een maag gedeponeerd.
De technische broers probeerden ook een en ander en ontdekten dat hoogte en richtingsroeren evenals de vleugelkleppen, nog prima functioneerden. Soldaat Raymakers stroopte de omgeving af en vond een revolver, een bivakmuts en een aantekenboekje van de piloot. Raymakers wilde ook nog aan de andere kant van de dijk langs het Dooie Gat gaan kijken. Daar was echter niets meer te vinden dan voetafdrukken en lege patroonhulzen. Stille getuigen van het vuurgevecht van vrijdag. De gevonden voorwerpen werden met het rapport aan kapitein Smeele overhandigd. Het drietal kreeg soep aangeboden in de keuken van de Volkskeet.

Mieneke en Piet de Bruijne tussen twee tantes in, bij de schuilplaats
tijdens de mobilisatietijd.
Foto: G. de Bruijne.
Terwijl zij zich de soep goed lieten smaken kwam de eigenaar van de Scheurpolderhoeve, Piet de Bruijne, binnen. Op de vraag hoe het ging, antwoordde De Bruijne dat hij zich zorgen maakte over zijn vrouw en kinderen die al een dag en een nacht in de schuilplaats bij de hoeve verbleven. Ook zijn werknemers met hun gezinnen verbleven daar de meeste tijd. Jan Groenewegen stelde De Bruijne voor om met zijn vrouw en kinderen naar zijn huis te komen aan de Veerlaan. “Voor mijn vrouw en kinderen zou ik het willen, maar ik loop niet graag van mijn bedrijf af”, reageerde De Bruijne. “Als je denkt dat het niet langer verantwoord is hier te blijven, ben je altijd welkom”, verwoordde Jan Groenewegen zijn gevoelens.
De drie bezoekers moesten weer terug naar Rozenburg, langs de vele hekken en met de eventuele gevaren uit de lucht. De Duitse luchtmacht bleef namelijk actief en bestookte tot viermaal toe de Positie Hoek van Holland met bommen en mitrailleurvuur. Daarbij vlogen bomscherven ver in het rond, wat de Scheurpolder buitengewoon onveilig maakte.
Gezien hun ligging leenden de batterijen VII en VIII in de Scheurpolder zich goed voor beschieting van de zich nog steeds in het Staalduinse Bos verblijvende Duitse militairen. Het helse lawaai van de twee kustbatterijen mengden zich met het al even oorverdovende schieten van het zware kustgeschut uit Hoek van Holland, dat drie uur lang onafgebroken richting Staalduinse Bos vuurde. Voeg daarbij de tien salvo’s die de Britse torpedobootjager Wild Swan op Nederlands verzoek in die richting afvuurde vanuit de haven van Hoek van Holland. Dan is er weinig toelichting nodig om je voor te stellen wat men in de Scheurpolder doormaakte.
Jan Groenewegen leverde Raymakers bij zijn onderdeel af en reed naar huis. Terwijl hij aan het avondeten zat, kwam er een auto het erf oprijden. Het was Piet de Bruijne met zijn gezin. Hij vond het niet verantwoord nog langer op de Scheurpolderhoeve te blijven. De logeerkamer werd zo ingericht dat ze allemaal een slaapplaats vonden. Zo kon de familie De Bruijne voor het eerst sinds het uitbreken van de oorlog rustig slapen.
Een sergeant afkomstig van het eiland van Dordrecht, meldde zich bij Smeele met het bericht dat alles daar vernietigd was. Vanaf het eiland Beijerland, vervolgde de sergeant zijn verhaal, trokken Nederlandse troepen via Brielle, Rozenburg en Maassluis terug.
Dr. L. de Jong beschrijft in deel 3 van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ de situatie daar als volgt: “Zo groot was het overwicht van de Duitsers dat de nieuwe pogingen tot herovering van het Eiland die door het gros van de Lichte Divisie ondernomen werden, volledig mislukten. Erger nog: het gehele eiland werd, met inbegrip van de stad Dordrecht, op de 13e mei door de Nederlandse troepen ontruimd en die troepen welke ten westen van de Dordtse Kil stonden, op Beijerland (de Groep Kil), trokken tegen het einde van de dag in verwarring terug in de richting van Voorne-Putten.”

Overzichtskaart Zuidhollandse eilanden.
Tekening: J.T. Prooi.
Bommen vallen in de Bossepolder
Ten slotte vertellen Aartje en Wim van Klaas Varekamp, toen negen en acht jaar, hun relaas van die dag: “We gingen de koeien ophalen voor het melken toen er drie Duitse vliegtuigen heel laag overkwamen. We schrokken zo dat we ons van de dijk lieten rollen. Maar ze vlogen door en wij vervolgden onze weg naar de koeien. Toen vader en oom Teun aan het melken waren, ‘t zal vier uur geweest zijn, kwamen er weer drie Duitse toestellen aan. Ze kwamen uit de richting van De Vergulde Hand, een boerderij aan de Maassluisedijk tussen Vlaardingen en Maassluis, over de Nieuwe Waterweg tussen ons en de boerderij van Noordam door. We zien die bommen nu als het ware opnieuw vallen. Volgens Sala waren het er 23.
De meeste bommen kwamen in het bouwland van Noordam terecht, maar ik denk dat er ook nog in de Brielse Maas zijn gevallen. Het vreemde was dat er niet één ontplofte. Later hebben ze die bommen onklaar gemaakt. Er gingen geruchten over gas en dat was voor de landarbeiders van Noordam, Jaap Bergwerf en Jaap van Pelt, aanleiding om hals over kop naar huis te fietsen. Wij moesten voor alle zekerheid ook maar weg. Die nacht sliepen wij bij.