DINSDAG, 14 MEI
Vlakbij het steigertje van Arie Prins op de Beer tegenover Hoek van Holland, konden Nederlandse militairen gebruik maken van een eigen steiger. Daar meerden in de nacht de schokkers Sch. 1 en de Sch. 67 af, met munitie bestemd voor de batterijen in Beijerland. Luitenant ter zee P.E. Kruimink die het bevel voerde, meldde zich bij kapitein Smeele. De munitie was de vorige dag met auto’s uit het fort Wierickerschans opgehaald en in Scheveningen overgeladen in de schokkers. De marineofficier was in het bezit van een lastgeving van generaal Winkelman dat die munitie in Rozenburg moest worden afgeleverd. De commandant aldaar moest zorgen voor doorzending naar Beijerland.
Smeele besloot eerst een onderzoek te laten instellen naar de omstandigheden in genoemd gebied. Hij stuurde motorordonnans P.M. Smit op een gevorderde BSA motorfiets met assistentie van Daan Weeda, die gebruik maakte van zijn eigen motorfiets, richting Beijerland om poolshoogte te nemen. Smit en Weeda gingen via het Brielse veer en stuitten bij Oud Beijerland op een Duitse legerwagen. De Duitsers openden het vuur op de verkenners die meteen rechtsomkeer maakten. Ook de Barendrechtsebrug bleek in handen van de Duitsers. Onverrichterzake keerden de twee moedige mannen op de Beer terug. Intussen was een gedeelte van de munitie gelost. In verband met explosiegevaar werd gestopt met het lossen van de munitie en werden de scheepjes de Noordzee opgestuurd.

De Barendrechtsebrug bleek in handen van de Duitsers.
Foto: Historische Vereniging Barendrecht.
“Passerende Rozenburgers op de Bomendijk keken vreemd op toen ze in de tuin langs de dijk, ter hoogte van villa ‘t West van J.C. de Haas van Dorsser, een militaire vrachtwagen op zijn kant zagen liggen. De oververmoeide chauffeur-soldaat kwam van de eilanden en was via het Brielse veer Rozenburg ingereden. De soldaat was de kluts kwijt en wilde de wagen in brand steken. Enkele bewoners van de Bomendijk, waaronder Freek Bergwerff, wisten hem te kalmeren en voorkwamen daardoor dat de zo goed als nieuwe Dodge in vlammen opging. Tevergeefs werd geprobeerd met handkracht de wagen weer op zijn wielen te krijgen. Piet Groenewegen met een Fordson-tractor van zijn broer Jan, slaagde daar met behulp van touwen en kettingen wel in. Na onderling beraad ging de soldaat, met Jan van Aart van Vark als gids, naar de Nederlandse militairen die gelegerd waren in de Scheurpolder. De geruchtenstroom hield aan en ook de militaire colonnes die terugtrekkend tussen het Brielse- en het Maassluise veerhoofd door Rozenburg reden, voorspelden weinig goeds.”
Jan Groenewegen en Bouw Leeuwenburgh stonden als burgerwachters bij het veerhoofd naar Maassluis op wacht. Opeens zag Jan bij de langskomende militairen een goede bekende. Groenewegen vroeg hem wat deze troepenverplaatsingen betekende. De militair nam Jan apart en zei: “Zaai geen onrust en vertel niets verder, maar de Hoekse Waard is prijsgegeven.”
In zijn dagboek schrijft Jan Groenewegen: “Er heerste steeds meer een gedrukte stemming, veroorzaakt door het vage idee dat het niet goed ging.”

Wachtlopen bij het veerhoofd naar Maassluis.
Foto: G. Boer.

Veerkaart van Manus de Bruin.
Collectie W. de Bruin.

Collectie: W. de Bruin.

Nummerbewijs voor zijn motorrijtuig van Manus de Bruin.
Collectie W. de Bruin.
Britse troepen verlaten Hoek van Holland
In Hoek van Holland bleef het onrustig. Vanaf 10.00 uur bombardeerden vijandelijke toestellen bijna zonder onderbreking doelen in de Positie en in de Nieuwe Waterweg. Door vrij hoog te vliegen ontkwamen ze aan de granaten van het Nederlandse luchtafweergeschut en aan die van de Royal Navy. Er ontstonden tal van branden. Een Britse torpedobootjager werd zwaar beschadigd. Bij het eerste bombardement ontstond er enige wanorde binnen de Britse gelederen. Toen het gerucht werd verspreid dat de Duitsers bij Rotterdam waren doorgebroken en naar Hoek van Holland oprukten, trokken zij zich terug naar de inmiddels gearriveerde Britse torpedobootjager Whitshed.
Dit schip nam 300 man van de Irish Guards aan boord. Andere militairen van dit Garde bataljon scheepten zich kort daarna in op de torpedobootjager Vesper. De Britse mariniers en het grootste deel van hun vernielingsploeg vertrokken met de torpedobootjager Malcolm. De commandant van dit schip vergat in de haast de hem gegeven orders op te volgen; de pieren van Hoek van Holland met torpedo’s vernielen.
Toen om 12.30 uur uit Londen de opdracht kwam voor het vertrek was het gros al ingescheept. Om 13.30 uur werd dit evacuatiebevel vanuit Engeland weer ingetrokken. De Britten legden deze opdracht naast zich neer omdat zij langer blijven niet verantwoord achtten. Door hun overhaast vertrek waren nieuwe troepenverplaatsingen noodzakelijk. Dat het vertrek van de Britten het moreel van de Nederlandse troepen aantastte en hun vertrouwen schokte, hoeft geen uitleg. Naderhand is er terecht meer begrip ontstaan voor de grote moeilijkheden waarmee onze bondgenoten in die dagen te kampen hadden.
Hoe was de militaire toestand bij het aanbreken van de vijfde oorlogsdag? De Duitsers hadden zich in het Noorden van ons land genesteld, maar hun pogingen om via de Afsluitdijk door te breken, werden afgeslagen. De stelling Den Helder was in ons bezit. Het Veldleger had zich op de Waterlinie teruggetrokken. In Noord-Brabant was de toestand onzeker. Zeeland daarentegen was vast in onze handen. Tegenaanvallen op de door de Duitsers bezette plaatsen werden voorbereid.
Hoewel Rotterdam-Zuid en het Noordereiland door Duitse troepen waren bezet, bleef de havenstad standhouden. Dit alles tot grote woede van de Duitse legerleiding. Ze hadden gedacht in enkele uren Nederland op de knieën te kunnen dwingen. De aanslag op Den Haag had de oorlog in enkele uren kunnen beslissen, maar was voor de Duitsers op een mislukking uitgelopen.
De Luftwaffe verloor een ongekend hoog aantal transporttoestellen. De strijd duurde al vier dagen en nog steeds bevonden sterke Duitse troepen, die voor de strijd tegen Frankrijk nodig waren, zich in Nederland.
Om 10.30 uur dreigden de Duitsers dat indien Rotterdam niet voor 14.00 uur zou capituleren, tegen de stad de scherpste maatregelen genomen zouden worden. Dat hield in dat bij weigering Rotterdam, een dichtbevolkte stad zonder luchtafweergeschut van enige betekenis, zou worden gebombardeerd.
De commandant van Rotterdam, kolonel P.W. Scharroo, besloot te onderhandelen. Hij moest daarvoor eerst overleg plegen met opperbevelhebber generaal Winkelman. Terwijl de Nederlandse onderhandelaar, kapitein J.D. Backer, op de terugweg was met de nieuwe capitulatievoorwaarden, verschenen Heinkel III bommenwerpers boven het centrum van Rotterdam en lieten hun verwoestende lading vallen. In enkele minuten veranderde de binnenstad in een vuurzee, waarin honderden burgers de dood vonden.

Kapitein Backer in gesprek met Duitse militairen op het Noordereiland.
Foto: Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie.
Tegelijkertijd dreigden de Duitsers ook de stad Utrecht en andere steden een zelfde lot te doen ondergaan. De onmogelijkheid de burgerbevolking voldoende bescherming te bieden tegen deze vorm van terreur, dwong Winkelman op 14 mei aan het Leger opdracht te geven, met uitzondering van de provincie Zeeland, waar Franse troepen aanwezig waren, de strijd te staken. ‘s Avonds om zeven uur hoorde het Nederlandse volk via de radio de mededeling: Nederland had gecapituleerd.
Ook in Rozenburg heerste verslagenheid na het schokkende aanvankelijk nauwelijks te verwerken bericht. Wanneer Jan Groenewegen en De Bruijne langs de kapperszaak van Sala, richting gemeentehuis lopen wordt hun herhaaldelijk de vraag gesteld: “Is het waar?”, door hen die het radiobericht niet hadden gehoord. “Ik heb het zelf gehoord”, zegt Groenewegen telkens weer. “Geloof je dat? Allemaal valse berichten man, die zender in Hilversum is natuurlijk in Duitse handen.” Men kon en wilde het bericht niet voor waar aannemen. De verwerking moest nog komen.
Jo Bergwerff: “Mijn oom Joris Kleijwegt uit Rotterdam, eigenaar van een taxibedrijf, was in de late middag de brandende stad ontvlucht om bij ons zijn toevlucht te zoeken. Ik zal nooit vergeten wat mijn oom toen zei: ‘Kom weder op de wolken Heer, was mijn gebed toen ik de stad uitreed, het was een hel.’ Met het gezin van mijn oom erbij was het passen en meten in huis. Op de huiskamervloer lagen wij te slapen. Rondom middernacht schrokken we wakker door een zware ontploffing. Mijn oom zat ineens overeind en riep: ‘Is het nou nóg niet over?’
Ben van der Hout reed op vrijdag 17 mei weer voor het eerst met zijn Volvo, afgeladen met groente van Rozenburgse tuinders, naar de veiling Persoonsdam in Rotterdam. Een week lang was er niets geveild en het gewone leven moest weer doorgaan. Ik ging, van mijn vroegste jeugd af, dikwijls mee om te helpen bij het laden en lossen.

De Statendam, de drie-pijper van Holland Amerika Lijn.
We werden die middag met onze neus op de feiten gedrukt. We zagen de enorme verwoestingen in Rotterdam. De grote kolenvoorraden bij het Maasstation lagen nog volop te branden, evenals de Statendam, de prachtige drie-pijper van de Holland Amerika Lijn. We reden zover mogelijk door, maar talrijk waren de verwoestingen en puinhopen. In volle omvang drong het tot ons door hoe verschrikkelijk de gevolgen waren van dit onmenselijke bombardement.”
De militairen op de Beer kregen opdracht alles te vernietigen wat voor de vijand van belang kon zijn. Bij Batterij VII kostte dat twee soldaten het leven, t.w. Jacob Groen, geboren op 10 september 1919 en Willem Zeddeman, geboren op 15 november 1919. Soldaat Bas Muilwijk raakte ernstig gewond. Deze kustartilleristen waren onkundig van het feit dat het middenstuk van Batterij VII werd opgeblazen. Terwijl iedereen in dekking lag liepen zij op de vuurmond toe op het moment dat de trotyllading ontplofte.

Willem Zeddeman.
Foto: Stichting Nederlands Kustverdedigingsmuseum
Fort aan den Hoek van Holland.
Bas Muilwijk, Den Haag: “Door de luchtdruk van de explosie werd ik tegen de grond geslagen. Met lichte brandwonden werd ik van Rozenburg naar het noodhospitaal Prevatorium St. Jozef in Hoek van Holland gebracht. Na een paar dagen werd ik overgeplaatst naar Den Haag, waar ik met meerdere militairen werd gehuisvest in een school. Geregeld ben ik voor onderzoek naar het Militair Hospitaal geweest. Daar werd geconstateerd dat er staalsplintertjes in mijn rechteroog terecht waren gekomen. Ik ben blind geworden aan dat oog. Van de brandwonden ben ik goed hersteld. De artilleristen Groen en Zeddeman vonden hun laatste rustplaats op de Algemene Begraafplaats in Hoek van Holland.”
Nadat de wapens op 14 mei waren neergelegd, bleef het bataljon II-39 R.I. aanvankelijk nog in Hoek van Holland. Op 17 mei kwam het bevel tot evacuatie. In de nacht van 17 op 18 mei werd gemarcheerd naar Den Haag, waar tot aan de demobilisatie het bataljon in verschillende scholen gelegerd werd. Generaal Winkelman tekende op 15 mei de capitulatievoorwaarden in de christelijke lagere school in Rijsoord. De strijd in Zeeland eindigde op 19 mei.

Generaal Winkelman.
Foto: collectie Legermuseum Delft.