Inleveren van radiotoestellen

Seyss-Inquart gaf op 6 juli 1940 een verordening uit waarbij het beluisteren van buitenlandse zenders verboden werd. Dit om, volgens de Duitsers, de Nederlanders te beschermen tegen onjuiste berichten. Alleen uitzendingen uit het Duitse machtsgebied mochten worden beluisterd. In de praktijk betekende dat alleen Nederlandse, Duitse en Belgische zenders. Overtreding van de verordening gold als een misdrijf. De uitzendingen van Radio Oranje vanuit Londen begonnen op 28 juli 1940, waarnaar in Nederland op grote schaal werd geluisterd. Iedereen kende de tijden waarop de BBC uitzond, met nieuws in het Nederlands, Radio Oranje en de Brandaris. Men zat gekluisterd aan het toestel en luisterde dwars door de Duitse stoorzenders heen. De radio schiep bovendien een band met vrijheid, men putte er ook geestkracht uit. Ook de bezetter realiseerde zich dat terdege. Op 13 mei 1943 werden alle radiotoestellen verbeurd verklaard en moesten worden ingeleverd.

 

Archief gemeente Rozenburg.

 

Dit gebeurde op Rozenburg op 27, 28 en 31 mei. Het was een maatregel die verontwaardiging en verbittering opwekte. De radiotoestellen moesten op de politiebureaus of op de postkantoren ingeleverd worden, elk toestel werd voorzien van een kaartje dat de naam, het adres en het beroep van de eigenaar vermeldde. De eigenaar moest zijn antenne binnen drie maanden afbreken. Radiohandelaren dienden lijsten op te stellen van hun gehele voorraad en die lijsten binnen drie weken bij de politie af te geven. Voor alle ingeleverde toestellen zou een passende schadeloosstelling toegekend worden. Men had voorzien dat talrijke Nederlanders zouden trachten hun toestel achter te houden. Wie dat deed liep kans om naar een concentratiekamp te worden gebracht. Desondanks kreeg de bezetter de indruk dat veel Nederlanders traag waren met het inleveren van hun toestel en dat bovendien velen die zich wel aan de inleveringsplicht hielden, met een volkomen onbruikbaar toestel kwamen aanzetten en hun bruikbaar apparaat achtergehouden hadden.

 

De weduwe De Bruin-Oprel leverde haar radiotoestel in, compleet met accu en luidspreker.

Collectie W. de Bruin.

 

Jo Bergwerff: "Mijn aanstaande schoonvader Van der Knaap had een oud radiotoestel ingeleverd. Een bruikbaar toestel was op zolder achter een bedstee weggestopt. In de staande wand, tegen het schuine dak, had ik een luik gezaagd waar onze spullen door konden worden geschoven. In deze bergplaats kon, behalve het radiotoestel, ook enkele gedemonteerde fietsen en enkele naaimachines van zijn dochters worden verborgen. Bovendien kon ik mij als onderduiker daarin verbergen. s Avonds om acht uur waren er vaak bekenden van ons op de zolder aanwezig om naar het nieuws op de BBC te luisteren. Dan klonk de stem van Aad den Dolaard: Hier Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland! We konden naar de radio blijven luisteren tot de stroomvoorziening in december 44 werd afgesloten.

Bij overbuurman Eduard Pols lag politieman Maarten van Lenteren in de kost. Pols was een van de weinigen die over elektriciteit kon beschikken. Na onderling overleg besloten we om met ons zware radiotoestel s avonds over te steken naar buurman Pols, waar we met meester Quak, dokter Van Vlaardingen en anderen vaak naar Radio Oranje hebben geluisterd. Daarna keerde ik, een onderduiker met een clandestiene radio en in spertijd, weer terug naar het huis van Van der Knaap. Een afstandje van niks, maar toch. Het hoefde maar n keer mis te gaan.

Op een avond werd er op het raam gebonsd en een stem riep luid: Wat is daar loos? Open die deur! Pols rekte de tijd zolang mogelijk. Van der Knaap en ik moesten in het donker met het radiotoestel tussenin onder het ledikant in de slaapkamer wegkruipen. Buiten klonk opnieuw de luide stem en wij lagen in angstige spanning onder het ledikant. Van der Knaap zat met zijn corpulente figuur klem tussen het ledikant en de vloer van de slaapkamer. Uiterlijk kalm opende buurman Pols de buitendeur. Politieagent Moerman, die in het verrolde huis woonde, stond voor de deur met een lach op zijn gezicht. De politieagent was van alles op de hoogte, maar deze grap kon geen waardering oogsten. Een keer eerder had ik Pols kwaad gezien. Deze avond ontlaadde zich de spanning op een manier die ik nooit vergeten ben. Ik zal maar niet herhalen wat hij Moerman in zijn gezicht slingerde."

 

Op tal van plaatsen in het land begonnen kleine groepjes met het regelmatig uitgeven van, meestal gestencilde, illegale nieuwsblaadjes. Vrijwel onmiddellijk na het bekend worden van het verbeurdverklaren van radios ging de Nederlandse regering in Londen er toe over om met medewerking van Engelse diensten een twee wekelijks nieuwsblad te laten samenstellen. Het nieuwsblad De Vliegende Hollander werd door de toestellen van de geallieerde luchtmachten bij hun vluchten over Nederland uitgeworpen. Tijdens de laatste oorlogsmaanden verscheen De Vliegende Hollander vier vijf maal per week. In deze periode waarin het nieuws van week tot week belangrijker werd, raakte men er meer en meer van verstoken. Dat maakte velen niet alleen extra vatbaar voor geruchten, maar droeg ook bij tot een gevoel van gesoleerdheid.

 

Wat is er met de ingeleverde radios gebeurd? Eind 1943 werd begonnen de 800.000 toestellen naar ongeveer 30 centrale depots over te brengen. Seyss-Inquart keurde het goed dat uit deze centrale depots 50.000 toestellen vrijgegeven werden, waaronder 36.000 voor de Wehrmacht. Van de resterende 750.000 apparaten werd een derde naar Duitsland getransporteerd. Ongeveer 400.000 werden door aanslagen van sabotagegroepen, door bombardementen of anderszins onbruikbaar. Men kon na de bevrijding aan ongeveer honderdduizend eigenaars het door hen ingeleverde toestel teruggeven.

 

Het Verzet in Rozenburg

De 28-jarige Arie Pieter Voogt werkte met Piet Bouman uit Maassluis bij Rijkswaterstaat in Hoek van Holland. De vader van Bouman, werkzaam bij de gemeente Maassluis, was actief in het Verzet. Deze vroeg in de zomer aan Voogt om eens te komen praten. Tijdens dit gesprek stelde Bouman aan Voogt voor om in Rozenburg de voormalige bestuursleden van de kiesvereniging van de Anti-Revolutionaire Partij en van de Gereformeerde kerkenraad te benaderen. Dit was de eerste aanzet voor georganiseerde hulp aan onderduikers en het verspreiden van illegale kranten in Rozenburg.

 

Arie Voogt: "Ik stelde mijn broer Adrianus op de hoogte van onze plannen en vroeg hem of het mogelijk was om een bijeenkomst te houden in zijn huis aan de Bomendijk. Inmiddels had Bouman toegezegd dat Van Ruller uit Rotterdam van het illegale blad Trouw en Van Katwijk uit Schiedam naar Rozenburg zouden komen om de lijnen uit te zetten. Met de roeiboot van mijn oom Cornelis Voorberg heb ik Ruller en Van Katwijk van Maassluis opgehaald. Tijdens deze bijeenkomst, waarbij onder andere Jan van der Kooij, Leendert Mol, Teunis Doorduin, Dirk Roorda, Freek Bergwerff en Jaap Kleijwegt aanwezig waren, werd gesproken over het opnemen en plaatsen van onderduikers, het plegen van lijdelijk verzet en de verspreiding van illegale kranten. Het laatste was het gemakkelijkst te verwezenlijken. Zowel Trouw als Het Laatste Nieuws haalde ik op bij Gerrit Wagner, de latere president-directeur van Shell, die bij de aanlegsteiger van de veerboot in Maassluis woonde."

 

De Neeltjes Hoeve, de boerderij van Jaap van Dorp.

Foto: J. Bergwerff.

 

Klaas Ouwendijk: "In de schuur van de Neeltjes Hoeve van Jaap van Dorp werd geregeld met een stengun geoefend. De groep die hier oefende bestond uit: Aas van Dorp, Jaap van Dorp, Koos van t Hof, Leen Bergwerf, Cor Visser, Arie Voogt, Siem Voorberg Sr. en mijn persoon.

Er werd zo intensief gebruik gemaakt van die stengun dat er op een gegeven moment een scheur in kwam. Op de fiets ging ik met het ding gedemonteerd onder mijn jas naar Arkenbout om het te lassen. Omkijkend zie ik een Duitser aankomen fietsen. Ik moest mezelf inhouden om niet harder te gaan trappen. Hij haalde me in en bleef naast me rijden. Dat was niet echt prettig met die stengun onder mijn jas. Hij begon te kletsen tegen me en ik heb maar eens gevraagd hoe het met 'de krieg' ging. Zo peddelden we samen naar de Buurt.

 

De weg met de drie namen: de Bomendijk, de Buurt en de Emmastraat.

Tekening: J.T. Prooi.

 

Dat was de eerste stengun, maar er zijn er nog heel wat gevolgd. Die werden s nachts afgeleverd op de Middenplaat in de Brielse Maas. Dat was dicht bij de Neeltjes Hoeve in de Droespolder, recht voor t haventje aan de Brielse Heuvel. We haalden die wapens s zondagsmorgens onder kerktijd met een roeiboot op. Dan hoopte je maar dat niemand het zag. De wapens werden bij Van Dorp verstopt en vervolgens door mijn zwager Koos van t Hof gedistribueerd. Hij reed dan met een voer stro tot aan Den Haag toe. Daar zaten de wapens dan tussen. Ik weet dat hij ook wapens afleverde in Maasland en Schipluiden. Na de oorlog kreeg mijn zwager een leidinggevende functie bij de Binnenlandse Strijdkrachten en vervolgens bij de Politieke Opsporingsdienst. Daarna kreeg hij een aanstelling bij de Rijkspolitie te Rozenburg en Brielle."

 

Piet Kleijwegt: "Het was dominee Brouwer die naar mij toe kwam met de vraag of ik bereid was bonkaarten en illegale blaadjes te bezorgen in het oostelijke deel van Rozenburg. Die illegale blaadjes werden via ome Jaap Kleijwegt, ome Kors Kleijwegt, Adam Barendregt en mijn ouders verspreid in Blankenburg en in de Ouwepolder. Verder moest ik adressen zoeken voor onderduikers. Zelf had ik twee onderduikers in huis. Dat waren Maarten Borgdorf uit Monster en Rinus Bakelaar uit Den Bommel. Het laatste half jaar van de oorlog oefenden we met een stengun bij Arie Barendregt J.A.zn., mijn baas. Mijn vrouw, Dalie van Vliet, wist van dit alles niets. Die stengun moest wel verborgen worden. Ik had in ons schuurtje een houtvoorraad, dus zei ik vaak tegen Dalie dat ik maar een poosje hout ging hakken. Ik heb dat hout verplaatst en daar een gat gegraven waar een veilingkist in paste. In de kist ging de stengun met patronen en onderhoudsmiddelen en dan stapelde ik het hout er weer op. Meestal oefenden we vroeg in de maandagochtend. Arie Barendregt Kl.zn., Gerrit van Seters en ik waren, met Koos van t Hof als instructeur, een uurtje bezig om vertrouwd te raken met het wapen.

 

Op een dag klaagde mijn vrouw dat de stampton lekte. Dat was geen probleem, ik gooide de stampton aan een touw in de sloot voor ons huis. Dan zwelt zon ding vanzelf weer dicht. Die sloot kwam vijftien meter verder uit bij de sluis naar het Barendregtse haventje. In de gemetselde wanden van die sluis waren wachters bevestigd. Dat waren twee kleppen die bij opkomend water uit de Botlek en de Oude Maas, werden dichtgedrukt. Als het water ging zakken werkte dat precies andersom, dan zorgde de druk uit de sloten dat de wachters weer open klapten. Kom ik s morgens op, staat alles rondom ons huis onder water! Laat nou die stampton klem zitten tussen de wachters. Die gingen niet meer dicht en dat zorgde bij opkomend tij voor wateroverlast. Het water stond ook in het schuurtje waar ik die stengun verborgen hield. Wat heb ik daar een werk aan gehad, want het wapen moest ongezien schoongemaakt worden. Daarna heb ik een vlondertje gemaakt onder het dak van t varkenshok. Daar lag dat ding hoog en droog en was het voor mij niet meer zon gedoe om het te pakken.

Op een ochtend na het oefenen met de stengun, liep ik naar buiten en zag twee Duitsers aankomen. Tot mijn schrik stapten ze van hun fietsen en liepen bij ons het pad op. En liep in de richting van het varkenshok, de andere naar de voordeur. Ik besloot die twee op een afstand in de gaten te houden. De Duitser bij het varkenshok deed daar een kleine boodschap.

Dalie stond de andere Duitser bij de voordeur te woord. Gelukkig vertrokken ze weer snel. Bij navraag aan Dalie bleek dat ze wilden weten wie er over de sluis ging. Dalie stuurde ze door naar sluiswachter Adam Barendregt."

 

Een vals persoonsbewijs van Johan van Dam op naam van Leonardus Beernink.

Collectie J.H. van Dam.

 

De Rozenburger Johan van Dam zat ondergedoken in Sinderen in de Gelderse Achterhoek waar hij actief was in het Verzet. Hij werkte mee aan het regionale illegale blad De Vrije Koerier. Van Dam werd door de Sicherheits Dienst gezocht en om die reden moest hij geregeld naar een ander onderduikadres verhuizen. Op Rozenburg werd zijn verloofde Azijntje Benschop onder zware druk gezet door handlangers van de Duitsers. Om hieraan te ontkomen ging zij naar Johan in de Achterhoek. Zij heeft daar als koerierster verdienstelijk werk verricht.

 

Marauder crasht op de Beer

Eind 1942 arriveerden als eerste de gronddiensten van de op 17 juli opgerichte 322e Bomb Group van de Achtste Amerikaanse Luchtmacht in Engeland. De Martin B-26 Marauder bommenwerpers en de bemanningen volgden in de loop van de maanden maart en april. De eerste operationele opdracht van de 322e Bomb Group boven bezet Europa was op 14 mei. Het doel was de Provinciale Elektriciteitscentrale Noord-Holland (PEN) bij IJmuiden. Deze centrale leverde onder andere energie om de zware stalen deuren van de duikbootonderkomens te bedienen. Twaalf Marauders onder commando van kolonel Robert M. Stillman, stegen tegen 9.30 uur op van hun basis Bury St. Edmunds in Suffolk. De vliegers koersten laag over zee naar Noordwijk, waar Huis ter Duin hen tot baken diende. Van hier maakten de vliegtuigen een bocht naar IJmuiden.

 

Bij het doel klommen de Marauders van 20 naar 80 meter om hun tijdbommen af te werpen. Omdat het Duitse luchtafweer wel degelijk op hun post was, was van een verrassingsaanval in feite geen sprake. De meeste Marauders werden door flak getroffen. En Marauder was zodanig beschadigd dat de bemanning boven Engeland het toestel moest verlaten, waarbij de piloot omkwam. Er waren zeven gewonden.

De luchtfotos die een dag daarna genomen werden toonden een heel ander beeld dan de bemanningen hadden verwacht, van de 43 bommen was de helft op het doel gekomen en daarvan waren er nog geen tien ontploft. Het gehele complex van de elektrische centrale stond nog onbeschadigd overeind. Op grond van de informatie op de fotos, kreeg Stillman op 16 mei opdracht de aanval de volgende morgen opnieuw uit te voeren.

In de morgen van de 17e mei, enkele minuten voor elf, rolden elf Marauders naar de startbaan. Vijftig minuten later rapporteerde kapitein Ray Stephens ergens boven de Noordzee dat hij generatorproblemen had en dat de bakboordmotor en de middenbovenkoepel slecht functioneerden.

 

Hij verliet de formatie en zette koers naar de thuisbasis. De Marauder werd waargenomen op de Britse radar en aangezien het zich op dat moment al dicht onder de Nederlandse kust bevond, zal het zeker ook door de Duitse radar zijn opgemerkt. De piloten hadden niet opgemerkt dat de wind was toegenomen vanuit het noordoosten. Dit had de Marauders een drift bezorgd die hen naar Monster deed afzakken en niet naar Noordwijk. Bovendien werd er in de verte een kleine groep schepen waargenomen. Ze verlegden hun koers naar het zuiden en vlogen er met een wijde bocht omheen. Enkele minuten later, in noordoostelijke richting terugdraaiend naar hun oorspronkelijke vliegrichting, ontdekten ze tot hun consternatie dat ze boven de monding van de Nieuwe Waterweg het Nederlandse luchtruim binnenvlogen.

 

De Maasoevers waren goed verdedigd en even later kwam de lichtspoormunitie van het luchtafweer hen al tegemoet. Nog maar net boven ons land werd Stillmans machine geraakt door granaten. 1e Luitenant Ellis J. Resweber was op slag dood. Het toestel verloor onmiddellijk hoogte en met een klap stortte de Marauder om 11.52 uur neer op de Beer.

2e Luitenant William R. Betz en sergeant Edward K. Hagetter overleefden de crash niet. De drie omgekomen bemanningsleden werden begraven op de Algemene Begraafplaats Crooswijk te Rotterdam. Op 8 september 1945 werden zij herbegraven op de Amerikaanse Militaire Begraafplaats in Margraten.

 

Het Ereplein van de Amerikaanse Militaire Begraafplaats te Margraten.

Foto: J. Prooi.

 

Sergeant Willis na zijn terugkeer in Engeland.

Foto: Collectie Aad Neeven.

 

Kolonel Stillman, sergeant Willis en sergeant Freeman overleefden, hoewel zwaar gewond, de crash en werden later door Duitsers uit het wrak gehaald. Stillman werd in het Luftwaffen Lazaret in het Wilhelmina Gasthuis te Amsterdam verpleegd aan zijn opgelopen verwondingen. De rest van de oorlog bracht hij in gevangenschap door. De resten van de Marauder 41-17982 DR-P werden in februari 1973 in Europoort door een bergingsploeg van de Koninklijke Luchtmacht geborgen.

 

B-26 plonst in de Nieuwe Waterweg

Gelijktijdig met de machine van Stillman werd de Marauder 41-18052 DR-N van 1e luitenant Vincent R. Garrambone door luchtafweer getroffen en plonsde aan de Rozenburgse oever in de Nieuwe Waterweg. De sergeants John L. Stefanowicz en Melvin O. Cage kwamen hierbij om het leven.

 

Jo Bergwerff: "Die maandagmorgen stopte ik met mijn bakfiets met groente en fruit bij de woning van meester Gille aan de Binnendijk, toen ik een vliegtuig boven de Waterweg heel laag en hoogte verliezend zag aankomen. Op het moment dat het vliegtuig achter de Buitendijk uit het gezichtsveld verdween, steeg er een hoge waterzuil op. Mijn handel was ik gelijk vergeten en ik rende langs de openbare school naar de Buitendijk. Er was een pad langs de sloot, waar Willem van der Eijk zijn land had, naar de Buitendijk. Toen ik hijgend over de dijk kwam zag ik vier bemanningsleden in de Waterweg zwemmen.

Op hetzelfde moment zag ik Jana en Ko, dochters van Henk Barendregt, van rechts aankomen rennen. Zij hadden vanuit de ouderlijke boerderij Ons Genoegen op de hoek van de Molenweg en de Binnendijk het vliegtuig in het water terecht zien komen. We hebben samen de vier militairen tegen de glibberig groene basaltstenen uit het water getrokken. Daar stonden we met zn drien bij de rillende en kletsnatte vliegers. Jana en Ko kenden wat Engels en ik begreep dat zij overlegden om de vier mannen mee naar de boerderij te nemen. Het was te laat. Van links kwamen een paar Duitsers, afkomstig van het zoeklicht dat stond opgesteld bij de Veerheuvel. Door de luidruchtigheid waarmee die aankwamen fietsen waren de Amerikanen gewaarschuwd en ze probeerden alsnog te ontkomen. Ze overlegden een moment met elkaar en holden toen aan de binnenzijde van de dijk omlaag. Het was zinloos, want direct klonken er geweerschoten."

 

In krijgsgevangenkamp Stalag Luft III. Voorste rij rechts 2e luitenant Jim Hoel. 

Staande geheel links 1e luitenant Garrambone met naast hem 2e luitenant W. Lang.

Foto: Collectie Aad Neeven.

 

2e Luitenant Jim Hoel.

 

2e Luitenant Jim Hoel.

 

De vier bemanningsleden 1e luitenant Garrambone, 2e luitenant Lang, 2e luitenant Jim Hoel en sergeant John Logan, werden krijgsgevangen genomen. Het toestel werd de volgende dag geborgen en naar de Burgemeester de Jonghkade in Maassluis getransporteerd.

 

De Marauder werd naar Maassluis getransporteerd.

Foto: A. Pinkster.

 

Gerrit Heijndijk, wachtmeester der Marechaussee, Post Rozenburg, in zijn rapport: 

"Op maandag 17 mei 1943, omstreeks 12.00 uur, vlogen boven het grondgebied der gemeente Rozenburg enige vliegtuigen, waarop door de te Rozenburg gestationeerde batterijen Duitse luchtafweer hevig werd gevuurd. En van deze vliegtuigen vloog zeer laag over de rivier de Nieuwe Waterweg, komende uit de richting Hoek van Holland en gaande in de richting Rotterdam. Dit vliegtuig is tussen de Sparrensluis en het in de rivier staande licht WIT 13 in de rivier gestort en onder water verdwenen. Ter plaatse aangekomen zag ik de zich aldaar vier personen bevonden, gekleed in een donker gekleurde overall en vermoedelijk afkomstig uit meergenoemd vliegtuig. Deze vier personen werden door reeds aanwezige Duitse militairen gevangen genomen en weggevoerd. Op dinsdag 18 mei 1943 zag ik dat onder water verdwenen vliegtuig door middel van een drijvende bok werd gelicht en werd vervoerd naar de gemeente Maassluis."

 

Albert Pinkster, Apeldoorn: "Mijn ouders woonden destijds bij het dieselgemaal aan de Boonersluis in Maassluis en recht daar tegenover kwam die bommenwerper in de Nieuwe Waterweg terecht. Zelf heb ik dat niet zien gebeuren, maar mijn moeder en zus wel. Het wrak heb ik wel gezien, evenals de afgebroken staart. De romp van het vliegtuig lag op het lage gedeelte van de Burgemeester de Jonghkade. Dat was gebied van de Kriegsmarine, waar burgers geen toegang hadden. Op de rechter motorgondel stond de naam Ronnie geschilderd, op de linker Francis.

Het staartstuk lag aan de andere kant van de Buitenhaven, enkele tientallen meters vanaf de spoorbrug en werd niet bewaakt. Als souvenir heb ik wat repen linnen afgescheurd. Het was geel linnen met een dikke grijsbruine verflaag erop. De verflaag was gemakkelijk van het linnen af te halen en ik maakte van het linnen een boekenleggertje. Vermoedelijk is de foto gemaakt door een Duitser, destijds bleef de oorsprong van de fotos in vaagheid gehuld. Mogelijk heeft de plaatselijke drogist, die als enige fotos ontwikkelde en afdrukte, er een paar extra gemaakt. Op school werd er volop handel gedreven in dergelijke plaatjes."

 

De overige Marauders vervolgden hun trek. Telkens trachtten de vliegers de hun opgegeven herkenningspunten terug te vinden, maar zij waren op reis in het onbekende. Daarbij hielden zij zich aan de hun opgegeven koers, waardoor zij nog verder het binnenland invlogen. Van de in totaal zestig man die de Nederlandse kustlijn passeerden brachten tien officieren en twaalf onderofficieren het er levend vanaf. Een sergeant overleed in krijgsgevangenschap. Alleen twee sergeants konden op de thuisbasis iets vertellen over de tragedie die zich binnen veertig minuten over alle elf Marauders had voltrokken. Bitter en verslagen zocht men de oorzaak in verraad. Maar een onderzoek leverde niet meer op dan een navigatiefout.

 

Volgende