In de nacht van 1 op 2 juli voerden 18 Fairey Swordfishes en vijf Fairey Albacores vliegtuigen een aanval uit op een concentratie van schepen in de Maas ten oosten van Rotterdam. Deze operatie hield verband met de Duitse invasieplannen tegen Engeland waarbij de bezetter in beslag genomen rijnaken als landingsvaartuigen zou gaan inzetten. De aanval werd uitgevoerd door drie Fleet Air Arm Squadrons van de Royal Navy. Het bestond uit 12 Swordfishes van het 825e Squadron, zes Swordfishes van het 812e Squadron en vijf Albacores’ van het 826e Squadron. De weersomstandigheden waren niet al te best.
De bewolking bezorgde de vliegers veel problemen. Het bemoeilijkte ook de navigatie waardoor niet alle Swordfishes het doel bereikten. Van het 825e Squadron keerden vijf Swordfishes niet op hun eigen basis terug, maar kwamen op diverse plaatsen in Engeland aan de grond.
Twee Swordfishes van dit Squadron werden boven ons land getroffen door luchtafweergeschut. Eén van deze toestellen stortte neer op het eiland Rozenburg. De tweedekker L7646 verloor snel hoogte en vloog brandend in de richting van de Kerkdijk. De bemanningsleden trachten hun leven te redden door hun parachute te gebruiken. Het was echter te laat voor twee van hen, de hoogte was onvoldoende. Beiden vonden de dood in de polder Langeplaat. De onbemande Swordfish raakte een van de op de Kerkdijk staande muren voor vloedplanken tussen de boerderij van Reijer en Leun van Galen en het Fort. Het Fort was een dijkwoning waarin meerdere gezinnen woonden, onder meer de families Leen Sonneveld en IJsbrand Koornneef.

Het Fort aan de Kerkdijk.
Tekening: J.T. Prooi.
Na de klap tegen het muurtje van de waterkering op de Kerkdijk slingerde de Bristol Pegasus motor van het toestel achter het Fort neer. Telefoon- en elektriciteitsdraden werden door de Swordfish vernield. Honderd meter verder brandde de L7646 op het land van Adam Barendregt in de polder Zuid-Blankenburg geheel uit.


De resten van de Swordfish.
Foto's: A.P. de Jong.
In het bouwland van Piet Lievaart werden de twee omgekomen bemanningsleden door Duitse soldaten ter plaatse in één graf begraven. Eén bemanningslid was verbrand, bij de andere inzittende zat de parachute nog ingepakt op zijn rug. De Swordfish was een two/tree seat vliegtuig en werd derhalve zowel met twee- als met driepersoonsbemanning ingezet. Maarten van Dam herinnert zich dat er door de Duitsers naar een mogelijk derde man werd gezocht, waarbij huiszoekingen plaatsvonden. Twee dagen later kwam aan de Westlandsedijk het derde bemanningslid te voorschijn en konden ze hem alsnog arresteren.
Jan van der Meer: “Piet Lievaart had een blok bouwland bij de Brejedijk in de Plaat, ter hoogte van Van Leeuwen. Daar waren die twee vliegers tijdelijk begraven. De derde vlieger kwam in de omgeving van de woningen van Wim de Borst en Cor de Bruin uit een blok tarwe.”
Jo Bergwerff: “In gedachten zie ik de Duitsers weer aankomen lopen met die Engelsman tussen hen in. Ik pakte een dik besuikerde boterham met aardbeien en liep snel de dijk op. Wat niemand aan tafel voor mogelijk had gehouden gebeurde. Ik kreeg van een Duitser toestemming de lekkernij aan de Tommy te geven. Dat ging er vlot in en je kon zien dat hij uitgehongerd was. Toen ik probeerde duidelijk te maken dat ik nog een boterham wilde gaan halen, ving ik bot. Het was een impuls, schafttijd en aardbeientijd. Nog een groet aan de vlieger en het was voorbij.”
Kees van Leeuwen: “Adam Moerman kreeg opdracht om de resten van het toestel op te ruimen. Een vliegtuigvleugel heeft hij nog gebruikt als bruggetje over de sloot bij weduwe Van Es, die met haar zoon Bram aan de Blankenburgseweg woonde.”
De omgekomen bemanningsleden werden op 9 en 10 juli opgegraven, waarbij Cor van Dam behulpzaam was. Met militaire eer werden de vliegers begraven op de Algemene Begraafplaats in Rozenburg. Dat de Duitsers destijds de lichamen niet konden identificeren bleek uit de tekst op een eenvoudig houten kruis: ‘Hier ruhen 2 Engl. piloten, 2-7-40’. De gesneuvelde militairen waren luitenant Frederick Leonard Lees en luitenant Barry Pawlet Grigson. Op de grafsteen van Grigson staat vermeld: Only son of Pawlet and Kathleen Grigson of East Harling, Hall-Norfolk. Bij luitenant Lees: Until He come.
Uit het dagboek van Lijntje Moree: “Meermalen kwamen vervolgens de Engelse vliegtuigen boven ons land waardoor wij vele nachten uit de slaap werden gehouden. Dat was mede het gevolg van het dreunen van het afweergeschut bij Berkhout. De vierde juli was er boven ons eiland een luchtgevecht tussen Duitse en Engelse vliegtuigen. Het geknetter was niet van de lucht en het was echt angstig. De vliegtuigen gingen zo laag dat ze de schoorstenen haast raakten. Een 19-jarig meisje werd gewond en twee koeien werden gedood.”
Maartje van Balen-van Oudheusden: “We waren aardbeien aan het plukken in de Ouwepolder. Arie Lievaart schreeuwde ons een droge sloot in om zo dekking te zoeken, want vlak boven ons werd er hevig geschoten. In paniek rende mijn zus en ik ons pad uit en sprongen hand in hand over een sloot en gingen achter een boom staan in de boomgaard van Arie Barendregt. Jaantje van Leeuwen raakte aan een knie gewond door een granaatscherf en moest naar het ziekenhuis.”

Links het aardbeienveld aan de Bosselaan.
Foto: J. Bergwerff.
Jaantje van Leeuwen: “We waren net verkast naar het aardbeienveld langs de Bosselaan. Arie van Johan Barendregt had daar een aardappelbewaarplaats en dan zo in de richting van Rijk Varekamp, daar was het. Het zal ongeveer kwart over twaalf zijn geweest. Toen het luchtgevecht losbarstte vluchtte de hele zwerm plukkers naar de slootkant. Hilletje Rietdijk viel waarbij ze haar knie ontwrichtte. Ik voelde ineens een stekende pijn in m’n linkerbeen en bleek getroffen te zijn door een granaatscherf. Dokter Boehmer werd gebeld, maar die was niet direct bij me. Wat had ik een pijn. Een spuitje hiertegen was het eerste wat ik kreeg. Toen hebben ze me op een burry gelegd en naar Arie Barendregt gedragen.
Wat had ik een bekijks. De ambulance was een taxi van Lievaart, een zevenpersoons Chevrolet, waarbij de brancard op de rugleuningen werd geschoven. De rit naar het Diaconessenhuis in Rotterdam was echt geen lolletje. Politieman Vink was er ter begeleiding ook bij. Die scherf was boven mijn linkerknie binnengedrongen en werd er halverwege mijn dijbeen uitgehaald. Het was iets ter grootte van een kwartje.”

De ambulance was een taxi van Lievaart.
Foto: C. Lievaart.
Cor Breevaart: “Hilletje Rietdijk sprong in paniek over of in die droge sloot en raakte daarbij gewond. Jaren later zei ze op een keer tegen mij: ‘Dat verrekte poot is nooit meer helemaal goed gekomen’. En nog zie ik Reijer van Adam met een scheemes bezig een gewonde koe de hals door te snijden, want als het bloed eruit was bleef het voor consumptie geschikt.”
Op deze dag deden Blenheims van Bomber Command van de RAF aanvallen op Schiphol en op doelen in de buurt van Zwolle. De aanvankelijke doelen in Duitsland werden vanwege het gebrek aan wolkendekking niet gebombardeerd. Op één toestel na, de Blenheim L8866 van het 18e Squadron, konden de bommenwerpers ondanks opgelopen schade hun thuisbasis in Norfolk bereiken.

Kapitein Worthington Wilmer.
Collectie: Hans Onderwater.
De L8866 was het toestel van kapitein I.C.B. Worthington-Wilmer. Deze Bristol Blenheim was vanaf West Raynham opgestegen. Het onfortuinlijke vliegtuig vloog laag vanuit de richting Matex-Welplaat, ongeveer bij de Wiel waar de gemeentelijke vuilnisbelt was, over de Botlek. De Blenheim stortte om 12.15 uur neer voor de kust van Oostvoorne.

De ZW1 van Anton van der Zee in de haven van Zwartewaal.
Foto: A. van der Zee.
Anton van der Zee, Zwartewaal: “We hadden bij de Brielseplaat gevist en roeiden richting Zwartewaal. Het was eb en bij de dam van Rales gekomen, tussen de Bol en Brielseplaat, zagen we aan de noordelijke oever iets drijven dat we niet thuis konden brengen. Nadat we erheen geroeid waren ontdekten we dat het een lijk was. We dachten een Duitser voor te hebben die waarschijnlijk in Rotterdam gesneuveld was. Aangezien er nog eb liep konden we hem niet achter de boot hangen en we besloten daarom de Duitsers te waarschuwen, dan konden ze zelf hun kameraad ophalen. Toen ik op het gemeentehuis aankwam om de politie in te lichten was daar toevallig een Duitser aanwezig. Nadat ik hem verteld had dat er een kameraad van hem in de rivier lag, ging hij van alles vragen. Ook of wij met hem meegingen om het stoffelijk overschot op te halen. Intussen was ook dorpsgenoot Janus Blom binnengekomen die voorstelde om het lijk met zijn motorboot op te zoeken.
Zo gebeurde het dat Janus, de politie, de Duitser en ik op weg gingen. Nadat we het lijk hadden gevonden hebben we het naar Zwartewaal gesleept en in het gras bij het havenhoofd gelegd. Toen de Duitser had ontdekt dat het om een Engelse vliegenier ging had hij al zijn belangstelling verloren.”
De 29-jarige Worthington-Wilmer werd op de begraafplaats van Zwartewaal begraven. Op 6 juli ondernamen de Duitsers een poging de bommenwerper te bergen, wat op die dag overigens mislukte.

Het tijdelijke graf van sergeant G.E. Maydon.
Foto: Documentatiearchief 1939-1945, gemeente Westvoorne.
Wel werd een bemanningslid levenloos uit de Blenheim gehaald. Het was sergeant Maydon. In de nacht van 6 op 7 juli werd hij door de Duitsers in de duinen van Oostvoorne aan het einde van de Zwartelaan, begraven. De plek werd gemarkeerd door een van ruw hout gemaakt kruis met het opschrift: Maydon. Aan dit kruis was zijn vliegercap bevestigd.
Op 25 juli werd zijn stoffelijk overschot door de zorg van de gemeente Oostvoorne opgegraven en ter plaatse gekist. Nog diezelfde dag werd sergeant George Edwin Maydon met militaire eer van de Wehrmacht op de begraafplaats van Oostvoorne ter aarde besteld. Het stoffelijk overschot van het derde bemanningslid van de Blenheim, sergeant J.G. Stanley, is nooit gevonden.

Het wrak van de Blenheim L8866 in Oostvoorne.
Foto: Documentatiearchief 1939-1945 gemeente Westvoorne.

31 Augustus. De eerste koninginnedag onder Duitse bezetting. Om een herhaling van 29 juni, toen het op de verjaardag van prins Bernhard tot een demonstratie van trouw aan het Oranjehuis kwam, hadden de Duitsers enkele dagen tevoren nadrukkelijk verboden oranje te dragen of iets te laten blijken van aanhankelijkheid aan leden van het Koninklijk Huis. Er gingen geruchten op Rozenburg dat de Britten voor écht vuurwerk zouden zorgen. Die zaterdagavond was de spanning voelbaar.
Op het vliegveld Detling in Engeland wees niets op de verjaardag van de Nederlandse Vorstin. Vijf Bristol Blenheim IV bommenwerpers van het 53e Squadron behorend tot het Coastel Command van de RAF, werden gereed gemaakt voor een aanval op de brandstofvoorraden langs de Nieuwe Waterweg. De groep werd geleid door luitenant-kolonel E.C.T. Edwards.
Om 19.41 uur stegen de Blenheims op. Ongeveer 90 minuten later passeerde de formatie de Nederlandse kust ter hoogte van Schouwen-Duiveland. Flakgeschut vuurde op de binnenvliegende toestellen, waardoor de formatie werd verbroken. Eén van de machines, dat van 2e luitenant Dottridge, verloor het contact met de overige vliegtuigen. De Blenheim vloog met verminderd vermogen in de richting van de Nieuwe Waterweg. Luitenant Dottridge drukte de stuurknuppel omlaag om vanaf een hoogte van 1200 voet de bommen af te werpen op de olietanks.
Voor de Rozenburgers klonk het motorgeronk als muziek in de oren. Velen repten zich, het is dan rond kwart voor tien, naar buiten. Een zee van lichtkogels in allerlei kleuren bood een fantastische fel verlichtende aanblik. Onmiddellijk reageerde het flakgeschut, waardoor iedereen weer naar binnen vluchtte. Wanneer de rust twintig minuten later is weergekeerd en er bewoners van de Zuidzijde naar buiten gaan, zien zij op de Welplaat een groot vuur. Het was afkomstig van de Blenheim van luitenant-kolonel Edwards.
Toen hij met zijn toestel naar 1000 voet was gedoken, bemerkte Edwards dat hij niet goed op het doel zat. Hij draaide weg voor een tweede aanval. Terwijl de bommenwerper langzaam hoogte won werd het getroffen door luchtafweergeschut. Met een vuilgrijze sliert rook achter zich aan maakte het vliegtuig een grote bocht, keerde terug en dook voor de tweede keer op de inmiddels uit alle wapens vurende luchtafweer. Midden in de aanvlucht werd de machine opnieuw geraakt en vloog brandend tegen de grond. Luitenant-kolonel Edwards en de sergeants J. Beesley en B.J. Benjamin stierven in de wrakstukken van hun toestel. De vliegers werden op de Algemene Begraafplaats Crooswijk in Rotterdam begraven.
Omstreeks 23.30 uur was het opnieuw onrustig rond het Waterweggebied. Er klonk motorgeronk boven Rozenburg, zoeklichten tastten de donkere nacht af op zoek naar indringers. In een scherpe lichtstraal van een zoeklicht vloog een tweedekker. Enkele minuten later klonk er een harde knal. Het vliegtuig, een Fairey Swordfish van No. 812 Squadron van de Royal Navy, was door afweergeschut getroffen. Luitenant George Villiers-Tuthill kwam daarbij om het leven.

Duitse militair bij het wrak van de Fairey Swordfish.
Foto: A.P. de Jong.
De twee andere bemanningsleden zagen kans uit het brandende toestel te springen. Eén belandde met zijn parachute in de telefoondraden langs de Groene Kruisweg in Spijkenisse. Op een laars en een sok wist hij het riviertje de Hartel te bereiken. Inmiddels hadden de Duitsers zijn parachute gevonden en waren hem op het spoor. Een boer zag nog kans hem een paar klompen te geven, voordat hij door soldaten werd afgevoerd. Het andere bemanningslid dat zich met zijn parachute had gered werd ook krijgsgevangen genomen en gewond afgevoerd naar het Hofsingel Ziekenhuis in Vlaardingen.
Aart van der Meijde: “Ook met het snelvuurkanon dat op de Oud Rozenburgsedijk stond vuurden de Duitsers op het toestel. Het kwam al laag over toen het richting Maassluis vloog, ook daar vandaan kwam het afweergeschut in actie. De piloot draaide zijn toestel een kwartslag om aan dit vuur te ontkomen, maar vloog daarmee binnen het bereik van een snelvuurkanon dat stond opgesteld bij de stelling in het weiland van Berkhout. Na te zijn aangeschoten draaide het vliegtuig nog eenmaal brandend een ronde en stortte neer in de polder Oud Rozenburg, tegenover hoeve Welgelegen van Van Gaalen aan de Dwarsweg, op nog geen 75 meter van de huizen van Hoogenboom en de Regt. De nog aanwezige munitie ontplofte tijdens de brand op de grond. Het terrein waarop het toestel was neergestort werd onmiddellijk door soldaten afgezet.”
Op 3 september werd het stoffelijk overschot van luitenant Villiers-Tuthill op de Algemene Begraafplaats in Rozenburg met militaire eer ter aarde besteld.

De graven van de gesneuvelde Britse militairen
op de Algemene Begraafplaats te Rozenburg.
Foto: Gemeentearchief Rozenburg.